Vreemdelingenrecht

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV van eiser voor…

Rechtbank Den Haag, 18 april 2016

Zaakgegevens

Op 18 april 2016 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
18 april 2016
Datum publicatie
18 april 2016
Zaaknummer
NL 16.603
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2016:4152
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV van eiser voor het jaar 2011 terecht bedragen aan reisaftrek en alimentatie buiten aanmerking gelaten. Eiser heeft namelijk geen openbaar vervoer of reisverklaring overgelegd. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwekelijk alimentatie heeft betaald en evenmin dat een dergelijke betaling op grond van uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen zou zijn gedaan. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL 16.603

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2016, beroep vrijheidsontnemende maatregel in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer [vreemdelingnummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Op 4 april 2016 heeft eiser een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 11 april 2016. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig X. Balaj, tolk in de Albanese taal.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1973 en de Albanese nationaliteit te hebben. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 29 maart 2016 waarbij eiser de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

2 Verweerder heeft eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in het belang van de openbare orde met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld, omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft zich daartoe gebaseerd op de gronden dat eiser

(zware feiten)

3c - eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven,

3i - te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek,

(lichte feiten)

4a - zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 heeft gehouden,

4c - geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en

4d - niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3 Eiser stelt zich op het standpunt dat de bewaring onrechtmatig is en heeft het volgende aangevoerd. Verweerder heeft de grond dat eiser niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht niet aan hem heeft mogen tegenwerpen, omdat eiser niet de gelegenheid heeft gekregen om te vertrekken.

4 Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

5 Er is geen grond voor het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met de Vw 2000, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de gronden 3i, 4c en 4d niet door eiser worden betwist.

De grond 4a heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen omdat eiser zich niet na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij de Korpschef. Gelet op deze gronden (1 zware grond en 3 lichte gronden) is de rechtbank van oordeel dat ingevolge artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb reeds voldoende gronden aanwezig zijn om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen. Verweerder heeft in bovenstaande omstandigheden voldoende gronden aanwezig mogen achten om aan te nemen dat ten aanzien van eiser het risico van onttrekking aan het toezicht aanwezig is.

De beroepsgrond van eiser dat verweerder hem niet grond 3c heeft mogen tegenwerpen, maakt – wat daar ook van zij – het vorenstaande niet anders.

6 Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van J.J. Kip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2016.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)