Vreemdelingenrecht
Dublin Duitsland, medische behandeling in Nederland staat overdracht niet in de weg, beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 7 december 2017
ECLI:NL:RBDHA:2017:14391 · Rechtbank Den Haag · 7 december 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2017-14391
Zaakgegevens
Op 7 december 2017 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 7 december 2017
- Datum publicatie
- 7 december 2017
- Zaaknummer
- NL17.12482
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:14391
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin Duitsland, medische behandeling in Nederland staat overdracht niet in de weg, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.12482
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Söylemez).
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 10 augustus 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.12483, plaatsgevonden op 5 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Njie. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1989.
2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit Eurodac is onder meer gebleken dat eiser eerder in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Op 15 september 2017 heeft verweerder bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). Op 20 september 2017 heeft Duitsland dit verzoek aanvaard.
3. Eiser betwist niet dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij stelt echter dat verweerder gebruik zou moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van zijn asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Op 16 november 2017 is eiser in een ziekenhuis in [plaats] geopereerd aan een cyste in zijn lies. Eiser betwist niet dat Duitsland over de benodigde medische voorzieningen beschikt, maar stelt dat overdracht naar Duitsland vertraging in een eventuele vervolgbehandeling met zich zal brengen. Hierdoor is Nederland volgens eiser het meest aangewezen land om hem te behandelen.
4. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de operatie die eiser op 16 november 2017 in Nederland heeft ondergaan niet maakt dat Nederland eisers asielaanvraag onverplicht aan zich moet trekken. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het goed met hem gaat. Dat eiser over twee weken terug moet voor verder onderzoek, omdat hij nog steeds last heeft van steken en pijn, heeft hij niet met stukken onderbouwd. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat een toekomstige medische afspraak niet maakt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Eiser heeft geen objectieve gegevens overgelegd die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Sleeswijk Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2017.
|
griffier |
rechter |
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: