Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 11 juli 2017
ECLI:NL:RBDHA:2017:7724 · Rechtbank Den Haag · 11 juli 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2017-7724
Zaakgegevens
Op 11 juli 2017 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 11 juli 2017
- Datum publicatie
- 12 juli 2017
- Zaaknummer
- NL17.3157
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:7724
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
asiel, Dublin/Duitsland
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.3157
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Nouta),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3158, plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser heeft op 5 april 2017 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening).
3. Uit onderzoek in EU-Vis blijkt dat eiser op 8 oktober 2014 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Malta te Algiers, in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum, geldig van 29 september 2014 tot 9 november 2014. Uit Eurodac blijkt dat eiser op 2 september 2016 een asielverzoek in Duitsland heeft ingediend. Zijn asielverzoek is afgewezen, omdat eiser niet was verschenen voor zijn gehoor.
Nu het visum voor Malta meer dan zes maanden was verlopen toen eiser zijn asielaanvraag deed in Duitsland, is Duitsland op grond van het bepaalde in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Dublinverordening, de verantwoordelijke lidstaat voor het asielverzoek van eiser. De Duitse autoriteiten hebben hun verantwoordelijkheid middels het claimakkoord van 19 april 2017 bevestigd.
Inzake de stellingen van eiser omtrent de EU-Vis treffer met Hongarije, is van belang dat uit EU-Vis blijkt dat eiser een visumaanvraag heeft ingediend voor Hongarije, maar dat niet is gebleken dat dit visum ook daadwerkelijk aan hem is verstrekt. Er zijn geen aanknopingspunten gegeven op grond waarvan verweerder niet van de juistheid van de informatie uit EU-Vis heeft kunnen uitgaan. Verweerder was dan ook niet gehouden om (meer) onderzoek te doen naar deze visumaanvraag voor Hongarije.
4. Het beroep van eiser op artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening slaagt niet. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheden zoals door eiser zijn aangevoerd niet als dusdanig bijzonder kunnen worden gezien dat zij tot de conclusie moeten leiden dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.