Vreemdelingenrecht
Beroep niet-ontvankelijk. Geen vrijstelling griffierecht, want MOB.
Rechtbank Den Haag, 12 december 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:13562 · Rechtbank Den Haag · 12 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2019-13562
Zaakgegevens
Op 12 december 2019 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 12 december 2019
- Datum publicatie
- 17 december 2019
- Zaaknummer
- AWB 19/4930
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13562
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep niet-ontvankelijk. Geen vrijstelling griffierecht, want MOB.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 19/4930
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2019 in de zaak tussen
[naam] , eiser,
gemachtigde: mr. S.R. Nohar,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 26 juni 2019 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 juni 2019 (het bestreden besluit).
Op 22 november 2019 heeft de gemachtigde van eiser de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
2. Eiser heeft op 27 september 2019 verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft op 27 september 2019 om nadere gegevens gevraagd ter onderbouwing van het verzoek om vrijstelling van het griffierecht. De gemachtigde van eiser heeft op 10 oktober 2019 op het formulier ‘betalingsonmacht’ vermeld dat hij het formulier zelf heeft ingevuld en ondertekend namens eiser, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Op 18 oktober 2019 heeft de rechtbank het beroep op betalingsonmacht afgewezen. In de brief van 22 november 2019 voert de gemachtigde van eiser aan dat eiser leefde van de verstrekkingen op grond van de Rva en geen bestendig inkomen of vermogen had. Hij verzoekt daarom om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank overweegt dat in bepaalde gevallen, gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, betalingsonmacht aangenomen. In dit geval was ten tijde van het verzoek om vrijstelling al bekend dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, waardoor zijn procesbelang ten aanzien van de beoordeling van zijn beroep bij de rechtbank is komen te vervallen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om de beslissing van 18 oktober 2019 te herzien.
3. De gemachtigde van eiser heeft in zijn brief van 22 november 2019 meegedeeld dat hij op 24 september 2019 van het COA heeft vernomen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Ook heeft hij in deze brief vermeld dat hij geen contact meer heeft met eiser.
4. Een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde geeft daarmee te kennen dat hij geen prijs meer stelt op een inhoudelijke behandeling van zijn beroep door de rechtbank. Eiser heeft dus geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingediende beroep. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. van Andel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2019.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.