Vreemdelingenrecht

Mondelinge uitspraak: beroep ongegrond. Dublin Italië, geen stukken overgelegd waaruit volgt dat niet van het…

Rechtbank Den Haag, 25 april 2019

Zaakgegevens

Op 25 april 2019 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
25 april 2019
Datum publicatie
9 mei 2019
Zaaknummer
NL19.8041
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:4661
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mondelinge uitspraak: beroep ongegrond. Dublin Italië, geen stukken overgelegd waaruit volgt dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.8041

v-nummer: [nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.8042, plaatsgevonden op 25 april 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Italië heeft ingestemd met de terugname van eiser. Hiermee heeft Italië toegezegd de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Verweerder heeft daarbij ook terecht het interstatelijk vertrouwensbeginsel als uitgangspunt genomen.

2. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van ernstige tekortkoming in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië. De gevolgen van het zogeheten Salvini-decreet, waar eiser op heeft gewezen, zijn al in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 december 2018 beoordeeld. In de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2019 en 16 april 2019 is geoordeeld dat de situatie in Italië sindsdien niet wezenlijk is veranderd.

3. De verminderde instroom van asielzoekers in Italië is hierbij van betekenis. Dat dit het gevolg zou zijn van het verscherpte beleid in Italië, zoals eiser stelt met een beroep op Human Rights Watch World Report Italy 2019, doet niet af aan het claimakkoord.

4. De sluiting van enkele opvangcentra geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat eiser na overdracht aan Italië geen opvang zal krijgen. Verweerder heeft in dit verband terecht gewezen op de nieuwe circular letter van Italië van 8 januari 2019, waarin wordt aangegeven dat, gelet op de dalende instroom van asielzoekers, de resterende opvangstructuren voldoende zijn. Eiser heeft zijn stelling waarin hij dit betwist niet onderbouwd.

5. Het rapport van Danish Refugee Council (DRC) en Swedish Refugee Council (SRC) van 12 december 2018 is al besproken in de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2019 en werpt volgens de Afdeling geen ander licht op de opvang van asielzoekers in Italië. Het bericht van IRIN van 7 december 2018 dateert van hiervoor. De rechtbank heeft overigens al in verschillende uitspraken geoordeeld dat ook deze publicatie geen nieuw licht werpt op de opvangsituatie in Italië.

6. Ook het AIDA-rapport van 16 april 2019 leidt niet tot een andere uitkomst. Allereerst ziet het rapport op de reeds beoordeelde periode tot en met 31 januari 2018 en wordt ook hierin verwezen naar het rapport van DRC en SRC van 12 december 2018. Verder valt uit het rapport niet af te leiden dat eiser in weerwil van het claimakkoord geen opvang zal krijgen. Eiser heeft gewezen op het schrappen van psychologische hulp en voorzieningen voor extra kwetsbare asielzoekers, maar niet is gebleken dat die passages uit het rapport voor eiser persoonlijk relevant zijn. De verlaging van het voor de opvang per asielzoeker beschikbare bedrag maakt als zodanig niet aannemelijk dat eiser geen toereikende opvang zal hebben.

7. Tenslotte houdt de afschaffing van de verblijfsvergunning op humanitaire gronden geen verband met de behoefte aan internationale bescherming.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier, op 25 april 2019.

griffier rechter

Dit proces-verbaal is aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

ECLI:NL:RVS:2019:129 ECLI:NL:RVS:2019:1085 ECLI:NL:RVS:2019:1190 ECRE 25 januari 2019 Danish Refugee Council/ Swiss Refugee Council, ‘Mutual trust is still not enough’, 12 december 2018