Vreemdelingenrecht

Bewaring, Dublinclaimant, zicht op overdracht, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 9 juli 2021

Zaakgegevens

Op 9 juli 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
9 juli 2021
Datum publicatie
25 april 2022
Zaaknummer
NL21.10283
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:16182
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring, Dublinclaimant, zicht op overdracht, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.10283

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 5 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chbab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1997].

3. Eiser voert ten eerste aan dat hij niet kan worden uitgezet naar Marokko, omdat hij

geen identiteitsdocumenten heeft. Daarom is er volgens hem, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen zicht op uitzetting.

4. De rechtbank overweegt dat eiser in een Dublinprocedure zit, waardoor het niet gaat om het zicht op uitzetting maar om de vraag of er zicht op overdracht is. De rechtbank is van oordeel dat zicht op overdracht bestaat. Verweerder heeft bij de Oostenrijkse autoriteiten een claimverzoek ingediend. Zij hebben nog niet gereageerd, maar de reactietermijn is nog niet verstreken. Er is op dit moment voor verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat de Oostenrijkse autoriteiten eiser niet terug zullen nemen. Dat betekent dat de rechtbank op dit moment niets kan zeggen over een eventueel zicht op uitzetting naar Marokko, omdat de Oostenrijkse autoriteiten daarover moeten beslissen als ze akkoord gaan met het claimverzoek. Dit betekent ook dat verweerder geen lichter middel heeft hoeven opleggen. Het voortduren van de inbewaringstelling is geen straf, maar heeft te maken met het feit dat verweerder de reactie van de Oostenrijkse autoriteiten nog moet afwachten. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2021 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

09 juli 2021

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.