Vreemdelingenrecht

beroep n-o, te laat ingediend. Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening.

Rechtbank Den Haag, 8 juli 2021

Zaakgegevens

Op 8 juli 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
8 juli 2021
Datum publicatie
10 oktober 2022
Zaaknummer
AWB 20/5208 en AWB 20/3517
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:17109
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep n-o, te laat ingediend. Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/5208 en AWB 20/3517

uitspraak van de enkelvoudige kamer / voorzieningenrechter van 8 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser/verzoeker] , met v-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. B. de Haan),

en

de Staatssecretaris van justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van

27 mei 2020 en over het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Een beroep moet worden ingediend binnen vier weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt.

3. In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 27 mei 2020. Het beroepschrift had dus uiterlijk op 24 juni 2020 door de rechtbank ontvangen moeten zijn. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 29 juni 2020. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.

4. Volgens eiser was het door de coronacrisis en de daarmee samenhangende onmogelijkheid voor persoonlijk overleg tussen eiser en zijn gemachtigde, niet mogelijk om voor 29 juni 2020 in beroep te gaan. De gemachtigde van eiser heeft het beroep ingediend nadat duidelijk was dat eiser dit op prijs stelde.

5. Dat is volgens de rechtbank geen geldige reden. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om op tijd beroep in te stellen, of dat voor hem te laten doen. Het is ook mogelijk om alleen aan te geven dát er beroep wordt ingesteld en pas later de redenen hiervoor te noemen (een zogenaamd ‘pro-forma’ beroep). Uit de overgelegde stukken volgt geen onderbouwing waaruit blijkt dat eiser niet in de mogelijkheid was om tijdig (pro-forma) beroep in te stellen door de gevolgen van het coronavirus. Dat eiser niet tijdig in beroep is gegaan, komt voor zijn rekening en risico. Verder overweegt de rechtbank dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift een fatale termijn van openbare orde is, die door de rechtbank ambtshalve moet worden beoordeeld. Dit betekent dat de duur van die termijn niet kan worden gewijzigd en dat het beroep zonder verschoonbare omstandigheden, zoals in dit geval, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorlopige voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank vandaag op het beroep heeft beslist. Het verzoek wordt afgewezen.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarin is beslist op het beroep, verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.