Vreemdelingenrecht

BNT. Beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen. Beroep ongegrond…

Rechtbank Den Haag, 19 juli 2021

Zaakgegevens

Op 19 juli 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
19 juli 2021
Datum publicatie
22 juli 2021
Zaaknummer
NL20.12409
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:7802
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT. Beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen. Beroep ongegrond voor zover gericht tegen de dwangsombeschikking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12409


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 14 juni 2020 heeft eiser beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag.

Bij besluit van 14 augustus 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist. In de beschikking is tevens een dwangsombesluit opgenomen.

Bij bericht van 20 augustus 2020 heeft eiser meegedeeld dat het beroep wordt gehandhaafd.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het

alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Met de inwilliging

van de aanvraag heeft eiser bereikt wat hij beoogde. Niet is gebleken dat eiser een belang

heeft bij het alsnog gegrond verklaren van het beroep. Het beroep tegen het niet tijdig

nemen van een besluit is dan ook niet-ontvankelijk.

2. Ingevolge artikel 4:19 van de Awb heeft het beroep tegen de beschikking op

aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de

dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Uit eisers bericht van 20 augustus 2020 blijkt dat hij zich niet kan verenigen met het volgens verweerder aan eiser verschuldigde bedrag van € 253,-.

3. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig geven van een beschikking, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4. Eiser heeft op 8 november 2019 een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder in beginsel op 8 mei 2020 een beslissing had moeten nemen.

5. Als vaststaand geldt inmiddels dat verweerder van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020 vanwege overmacht niet in staat was om asielgehoren af te nemen en als gevolg daarvan niet kon beslissen in de daardoor geraakte procedures. Deze overmacht schortte de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit zelfstandig op, tot 9 juli 2020. Vóór het eindigen van de beslistermijn is het WBV 2020/12 in werking getreden. Hiermee maakte verweerder, conform de Procedurerichtlijn, gebruik van zijn bevoegdheid op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 om de beslistermijn met zes maanden te verlengen. Als gevolg hiervan had verweerder tot en met 9 januari 2021 de tijd om op de aanvraag te beslissen.

6. Verweerder heeft op de asielaanvraag van eiser beslist voordat de beslistermijn was verstreken. Dit betekent dat het beroep voor zover gericht tegen de dwangsombeschikking van 14 augustus 2020 ongegrond zal worden verklaard.

7. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • Verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder;

  • Verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de dwangsombeschikking van 14 augustus 2020.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2949. Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000; Staatscourant 2020, 26964. Richtlijn 2013/32/EU. Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3020.