Vreemdelingenrecht
PKV (8:75a Awb). Verwijzing verweerder jurisprudentie rechters in eerste aanleg bij herleving…
Rechtbank Den Haag, 15 april 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:8560 · Rechtbank Den Haag · 15 april 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2021-8560
Zaakgegevens
Op 15 april 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 april 2021
- Datum publicatie
- 4 augustus 2021
- Zaaknummer
- AWB 21/160
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8560
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
PKV (8:75a Awb). Verwijzing verweerder jurisprudentie rechters in eerste aanleg bij herleving Rva-verstrekking. Gewjzigd standpunt ander bestuursorgaan kan eiser niet worden aangerekend. Recht om beroep in te stellen. Verwijzing naar jurisprudentie hoogste bestuursrechters.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/00160
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[eiser] , [V-Nummer] , geboren op [geboortedatum] 1978, van Ghanese nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. J. van Koesveld),
en
het Bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder.
Procesverloop
De rechtbank heeft op 11 januari 2021 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 6 januari 2021 (het bestreden besluit).
Op 20 januari 2021 heeft eiser het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder heeft op 10 februari 2021 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op
15 februari 2021 op het verweerschrift gereageerd. Verweerder heeft op 3 maart 2021 een zienswijze ingezonden op de reactie van eiser. Eiser heeft op 8 maart 2021 op verweerders zienswijze gereageerd.
Overwegingen
1. Eiser heeft bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de forfaitaire vergoeding in bezwaar en beroep. De rechtbank sluit het onderzoek en zal uitspraak doen buiten zitting. Het verzoek is kennelijk gegrond.
Standpunten
2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet aan het beroep is tegemoetgekomen. Het herleven van het recht op Rva-verstrekkingen vindt zijn grondslag in een omstandigheid die is opgekomen na het besluit van de staatssecretaris. Door de latere besluitvorming door de staatssecretaris is een nieuw recht op (voortzetting) van de Rva-verstrekkingen ontstaan. Verweerder heeft verwezen naar vaste jurisprudentie. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten moet worden afgewezen.
3. Eiser heeft aangevoerd dat sprake was van een bijzondere omstandigheid die voortduring van de opvang wel degelijk rechtvaardigt. Eiser zou in het midden van de winter op straat komen te staan.
4. Verweerder heeft betwist dat eiser zomaar op straat zou komen te staan. Er had in dat geval een ontruimingsprocedure moeten worden opgestart waarbij een uitspraak van de civiele rechter nodig was om tot ontruiming over te gaan.
5. Eiser heeft in reactie op verweerders standpunt kanttekeningen geplaatst bij de mogelijkheden die hij heeft in de civiele procedure.
Beoordeling
6. De staatsecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) heeft bij besluit van 11 november 2020 beslist dat de aanvraag van eiser voor uitstel van vertrek buiten behandeling wordt gesteld. Verweerder heeft bij het bestreden besluit eiser om die reden bericht dat de Rva-verstrekkingen worden beëindigd. Eiser heeft het beroep ingetrokken nadat de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid bij beslissing op bezwaar van 12 januari 2021 heeft beslist dat alsnog uitstel van vertrek wordt verleend tot 13 november 2021.
7. Verweerder heeft zijn standpunt ten tijde van het bestreden besluit weliswaar gebaseerd op de toen bekende gegevens van de staatssecretaris, maar nu deze met de beslissing op bezwaar van 12 januari 2021 achteraf zijn herzien, kan dit eiser niet worden tegengeworpen. Eiser kan evenmin worden verweten gebruik te hebben gemaakt van zijn recht om rechtsmiddelen aan te wenden. De rechtbank verwijst hierbij naar jurisprudentie van de hogerberoepscolleges. De rechtbank overweegt hierbij in dit kader dat de enkele omstandigheid dat het bestuursorgaan geen enkel verwijt treft met betrekking tot het later onjuist geacht en niet gehandhaafde besluit geen reden is om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. Uit het voorgaande blijkt dat deze rechtbank de door verweerder gestelde vaste jurisprudentie niet volgt.
8. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte wordt forfaitair vastgesteld op € 534,- als kosten van verleende rechtsbijstand.
9. Er is geen griffierecht geheven.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, in aanwezigheid van
M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 april 2021
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak, dan kunt u een verzetschrift opsturen naar deze rechtbank. U kunt een verzetschrift opsturen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In het verzetschrift kunt u vragen om te worden gehoord. In dat geval vindt alsnog een zitting plaats.
Coll: M.P.O.
D: B