Vreemdelingenrecht
Tussenuitspraak. Afsluitingsregeling. Voorwaarde b. 14 EVRM. Gelijkheidsbeginsel. 8 EVRM. Verweerder heeft…
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:9810 · Rechtbank Den Haag · 28 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2021-9810
Zaakgegevens
Op 28 juli 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juli 2021
- Datum publicatie
- 6 september 2021
- Zaaknummer
- AWB 20/5341
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9810
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Tussenuitspraak. Afsluitingsregeling. Voorwaarde b. 14 EVRM. Gelijkheidsbeginsel. 8 EVRM. Verweerder heeft het gedragsrapport niet kenbaar bij de belangenafweging betrokken. Verweerder krijgt de gelegenheid om het gebrek te herstellen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/5341
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer 1] ,
en zijn moeder,
[moeder] , V-nummer [V-nummer 2] ,
tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Werner),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Radema).
Procesverloop
In het besluit van 26 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling) afgewezen.
In het besluit van 4 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden per Skypeverbinding op 30 maart 2021. Eiser en zijn moeder zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw E. Verheij. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 2008. Zijn moeder is geboren op [geboortedag 2] 1971. Zij hebben allebei de Ghanese nationaliteit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde onder b van de Afsluitingsregeling, als bedoeld in paragraaf B9/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Er is nooit door of ten behoeve van eiser een asielaanvraag gedaan, zodat hij niet aan de voorwaarden voldoet. Het onderscheid tussen kinderen met een asielachtergrond en kinderen zonder die achtergrond is niet in strijd met artikel 14 van het EVRM. Verder is volgens verweerder geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM.
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren het volgende aan. Voorwaarde b van paragraaf B9/6.5 van de Vc is ten onrechte tegengeworpen omdat niet uit de tekst volgt dat eiser voor het einde van de asielprocedure geboren had moeten zijn. Nu niet in geschil is dat de vader van eiser in 1996 een asielaanvraag heeft ingediend, heeft verweerder de voorwaarde b ten onrechte tegengeworpen. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Daarnaast stellen eisers dat verweerder met de Afsluitingsregeling onterecht onderscheid maakt tussen kinderen met een asielachtergrond en kinderen zonder die achtergrond. In dat kader doen eisers een beroep op artikel 14 van het EVRM, artikel 2 van het IVRK en artikel 1 van het 12e protocol van het EVRM. Eiser heeft door de vele procedures van zijn ouders problemen ondervonden die overeenkomen met de problemen die kinderen met een asielachtergrond ervaren. Voorts doen eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij wijzen op verschillende zaken waarin de voorwaarde b niet is tegengeworpen bij kinderen die na het einde van de asielprocedure van hun ouders zijn geboren. Tot slot is het besluit in strijd met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft het arrest Butt onjuist toegepast en de belangen van eiser onvoldoende meegewogen.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 14 EVRM en 2 IVRK
5. De rechtbank stelt voorop dat de Afsluitingsregeling begunstigend beleid is tot het instellen waarvan verweerder niet op grond van enige internationale of wettelijke verplichting gehouden is. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling komt verweerder bij het invullen van dergelijk beleid een grote mate van vrijheid toe. Bij het stellen van voorwaarden aan dat begunstigend beleid kan verweerder bepalen welke groepen van personen onder de Afsluitingsregeling vallen en welke toelatingseisen daarop van toepassing zijn. De Afdeling heeft in de voormelde uitspraak over eerder begunstigend beleid van verweerder geoordeeld dat dat beleid redelijk is. Nu dit eerdere beleid in zeer grote mate overeenkomt met de huidige Afsluitingsregeling, kan deze lijn naar het oordeel van de rechtbank worden doorgetrokken in deze zaak. Daaruit volgt dat de Afsluitingsregeling en de gehanteerde voorwaarden, waaronder de eis van het ingediend hebben van een asielaanvraag, zoals onder voorwaarde b omschreven, niet onredelijk zijn. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat het door verweerder gemaakte onderscheid tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die dat niet hebben gedaan, niet strijdig is met artikel 14 van het EVRM of artikel 1 van het 12e protocol bij het EVRM. In diezelfde lijn acht de rechtbank het onderscheid ook niet strijdig met artikel 2 van het IVRK. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder bij de invulling van de Afsluitingsregeling een grote mate van vrijheid toekomt en dat hij bij het stellen van voorwaarden kan bepalen welke groepen van personen onder dat beleid vallen en welke toelatingseisen van toepassing zijn.
Voorwaarde b
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet voldoet aan voorwaarde b van de Afsluitregeling en overweegt daartoe het volgende.
In paragraaf B9/6.5 van de Vc staat, voor zover van belang, het volgende:
“Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling
De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling:
[…]
b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;[…].
Ad b.
De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. […].”
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat voorwaarde b als bedoeld in paragraaf B9/6.5 van de Vc, zo moet worden uitgelegd dat de vreemdeling tijdens de asielprocedure van de ouder(s) geboren moet zijn. De uitleg die verweerder aan deze voorwaarde geeft onder het oude en het huidige beleid, acht de rechtbank niet onredelijk. Verder is er geen redelijk aanknopingspunt voor de uitleg die eiser aan deze voorwaarde geeft.
Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de Afsluitingsregeling niet bedoeld is voor kinderen waarvan de aanwezigheid in Nederland nooit verband heeft gehouden met een lopende asielprocedure. De overgangsregeling – en nu de Afsluitingsregeling – biedt duidelijkheid aan kinderen met een asielachtergrond. Het gaat specifiek om kinderen die door een combinatie van factoren zoals, (lange) herhaalde asielprocedures en ouders die niet meewerkten, al lang in Nederland verblijven. De b-grond is onveranderd in de Afsluitingsregeling overgenomen. Uit het verhandelde in aanloop naar de overgangsregeling en de Definitieve regeling kan ook worden opgemaakt dat de regelingen zijn bedoeld voor een afgebakende groep van asielzoeker-kinderen en niet voor elk kind dat al lang in Nederland verblijft. Verweerder wijst erop dat kinderen die na de asielprocedure van hun ouders zijn geboren, nooit deel hebben uitgemaakt van de asielprocedure en daarom niet te onderscheiden zijn van kinderen die de reguliere procedure voor een verblijfsvergunning hebben doorlopen. Voor die kinderen is de toets aan artikel 8 van het EVRM aangewezen. Ten aanzien van deze kinderen geldt dat er nooit discussie is geweest over het feit dat terugkeer naar het land van herkomst belemmerd wordt om asiel gerelateerde redenen. Het langdurig verblijf is in die zin dan ook niet te wijten aan eventueel bestaande asielmotieven of de lange duur van de asielprocedures in het verleden. Bovendien staat in de regeling niet de asielzoeker-ouder centraal, maar het asielzoeker-kind. Daarom wordt in de regelingen ook gesproken over kinderen met een asielachtergrond. Dit betekent dat er in ieder geval namens hen een asielprocedure moet zijn doorlopen.
Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat het uitgangspunt van de Afsluitingsregeling is dat er een andere verantwoordelijkheid bestaat voor vreemdelingen met een asielachtergrond ten opzichte van vreemdelingen zonder die achtergrond. Uit verschillende bronnen blijkt dat kinderen met een asielachtergrond in de opvang onzekerheid, stress en angstgevoelens ervaren, vanwege de onzekerheid omtrent de verblijfsstatus van hun ouders. Door deze problematiek verkeren kinderen met een asielachtergrond in een andere positie dan kinderen die de reguliere procedure hebben doorlopen. Eiser is 12 jaar na de asielaanvraag van zijn vader geboren en kan dus niet worden aangemerkt als een kind die de bovenstaande problematiek heeft ondervonden vanwege het doorlopen van een asielprocedure.
Gelijkheidsbeginsel
7. Eisers doen een beroep een aantal zaken waarin sprake zou zijn van gelijke gevallen. Verweerder heeft betoogd dat die zaken niet gelijk zijn aan de zaak van eisers. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en overweegt daartoe het volgende.
In drie zaken (dossiernummer 0501.31.0217, V-nummer 070.206.1740 en
V-nummer 270.305.9601) is sprake van een ambtelijke misslag. Ten onrechte is in die beschikkingen niet tegengeworpen dat het kind na de asielprocedure van de ouder(s) is geboren. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, verweerder niet is gehouden om, voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel, gemaakte fouten te blijven herhalen.
De zaak met V-nummer 272.985.3973 is niet rechtens gelijk aan deze zaak. In die zaak stond op het moment dat het kind werd geboren, de afwijzing van de asielaanvraag van de moeder nog niet in rechte vast. In de onderhavige zaak was de asielprocedure van de vader van eiser al afgerond toen eiser werd geboren.
In de zaken met V-nummers 271.083.8924 en 271.376.2673 en AWB 14/3586 is de b-grond niet tegengeworpen, maar is de aanvraag op andere weigeringsgronden afgewezen. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat hij zaken op de meest efficiënte manier afdoet. Wanneer duidelijk aan een van de voorwaarden niet wordt voldaan, wordt die voorwaarde tegengeworpen, maar dat betekent niet dat wel aan de andere voorwaarden is voldaan. De rechtbank volgt verweerder dat uit die zaken ook geen vaste gedragslijn blijkt waar eisers een beroep op kunnen doen. Voorts is in de zaak met nummer AWB 15/7309 geen sprake van rechtens gelijk geval. In die zaak is aan de ouders van de aanvrager asiel verleend en werd de asielvergunning ingetrokken. Daarmee verschilt de zaak op een relevant punt van de onderhavige zaak.
In de andere zaken (V-nummers 275.838.1460 en 270.637.4121, zaaknummer
Z-175902307113 en AWB 20/3472) betrof het beleid van verweerder ten aanzien van zogenaamde B13-K/M35-K formulieren. De b-grond, als bedoeld in paragraaf B9/6.5 van de Vc, werd niet tegengeworpen indien een B13-K/M35-K formulier was ingediend ten behoeve van het kind. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de indiening van B13-K/M35-K formulieren gelijk werd gesteld met een asielaanvraag, maar dat verweerder van dit beleid is afgestapt. In rechtens gelijke zaken, waar het kind dus binnen de termijnen van de b-grond een B13-K/M35-K formulier heeft ingediend, zal de b-grond niet worden tegengeworpen. In het onderhavige geval is daar echter geen sprake van.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van rechtens gelijke gevallen in de door eisers aangevoerde zaken.
8. Eiser voert aan dat de in bezwaar overgelegde gedragsonderzoeksrapportage van de Rijksuniversiteit Groningen (de rapportage) niet kenbaar bij het bestreden besluit is betrokken waardoor het bestreden besluit niet draagkrachtig is gemotiveerd. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser geen belang meer heeft bij de resttoets aan artikel 8 van het EVRM, omdat eiser inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn moeder.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de in bezwaar overgelegde rapportage niet kenbaar bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het bestreden besluit heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM betrokken. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat eiser in deze zaak geen belang meer heeft bij een belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM. De aanvraag in deze zaak is op een eerdere datum ingediend dan de ingangsdatum van eisers huidige verblijfsvergunning. Eiser heeft daarom in deze zaak belang bij een toets aan artikel 8 van het EVRM, omdat het zou kunnen leiden tot een verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum. Nu verweerder ten onrechte de rapportage niet kenbaar heeft betrokken in de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
Conclusie
9. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
De rechtbank ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil en het feit dat het motiveringsgebrek ziet op het niet kenbaar in de belangenafweging betrekken van 1 rapportage, aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:51a van de Awb. Dat betekent dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld om het in overweging 8.1. geconstateerde gebrek te herstellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, zal de rechtbank eiser een termijn geven van vier weken om een reactie in te dienen.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;
- stelt eiser vervolgens in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van de reactie van verweerder de reactie hierop aan de rechtbank kenbaar te maken;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2021.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat (nog) geen hoger beroep open.