Vreemdelingenrecht

Mondelinge uitspraak, Dublin Denemarken, indirect refoulement, ongegrond

Rechtbank Den Haag, 9 februari 2022

Zaakgegevens

Op 9 februari 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
9 februari 2022
Datum publicatie
15 februari 2022
Zaaknummer
NL22.445
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:1061
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mondelinge uitspraak, Dublin Denemarken, indirect refoulement, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.445

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser v-nummer: 290.494.6523 (gemachtigde: mr. M. Grigorjan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.446, op 4 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.

2. Het is verder niet aannemelijk dat overdracht aan Denemarken zal leiden tot indirect refoulement. De Deense autoriteiten hebben met het terugnameakkoord toegezegd een asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Daarbij zijn zij gebonden aan het

verbod op een onmenselijke behandeling zoals vastgelegd in artikel 3 van het EVRM1 en artikel 4 van het Handvest2.

3. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er van worden uitgegaan dat Denemarken deze internationale verplichtingen nakomt en dat eiser bij onverhoopte schending hiervan bij de Deense autoriteiten, de Deense rechter en het EHRM3 hierover kan klagen. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is.

4. Dat eisers verblijfsvergunning in Denemarken niet is verlengd en dat zijn beroep hiertegen door de Deense rechter is verworpen, leidt als zodanig nog niet tot de conclusie dat eiser het slachtoffer is geworden van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het enkel onthouden van een verblijfsvergunning betekent, gelet op de hoge drempel van zwaarwegendheid, immers niet op voorhand dat sprake is van een inbreuk zoals bedoeld in het arrest Jawo4.

5. Niet is gebleken dat er als gevolg van een verschil in beleid tussen Nederland en Denemarken sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Hierbij is allereerst van belang dat in Syrië geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn5. De beoordeling van het risico op ernstige schade is dus afhankelijk van de individuele omstandigheden van eiser. Het is aan de Deense autoriteiten om de individuele omstandigheden te beoordelen. En het is aan eiser om zo nodig over die beoordeling te klagen bij het EHRM. Hierbij wordt opgemerkt dat tot op heden niet is gebleken dat Denemarken in strijd met artikel 3 van het EVRM, Syrische asielzoekers daadwerkelijk uitzet naar Syrië.

6. Verweerder heeft in verband met het voorgaande dan ook geen aanleiding hoeven zien om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielverzoek aan zich te trekken.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier.

[afbeelding niet beschikbaar]

1 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

2 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

3 Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

4 Arrest van het Europees Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.

5 Richtlijn 2011/95/EU.

[afbeelding niet beschikbaar]

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: DSR19156912

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.