Vreemdelingenrecht
Algerije, mondeling, ongegrond
Rechtbank Den Haag, 3 maart 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:2021 · Rechtbank Den Haag · 3 maart 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2022-2021
Zaakgegevens
Op 3 maart 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 3 maart 2022
- Datum publicatie
- 11 maart 2022
- Zaaknummer
- NL22.1735
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:2021
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Algerije, mondeling, ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.1735
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
v-nummer: 290.782.6037
(gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Hoof).
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2022 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Verweerder volgt dat eiser tussen 2010 en 2021 een relatie heeft gehad en daarover ruzie heeft gehad met de broers van zijn ex-vriendin omdat haar familie het niet eens was met haar relatie met eiser. Eiser stelt nu te vrezen voor deze broers vanwege het feit dat zijn ex-vriendin zwanger was van eiser en deze zwangerschap heeft afgebroken. Verweerder vindt dat niet ten onrechte niet aannemelijk. Verweerder heeft terecht overwogen dat eisers verklaringen hierover van horen zeggen zijn en daarom slechts vermoedens opleveren. Dat dit inherent zou zijn aan familieproblemen doet niet af aan verweerders conclusie.
2. Dat de huidige vrees wordt onderbouwd door de eerdere problemen heeft verweerder niet hoeven volgen. Hoewel eiser volgens zijn relaas in 2010 gewond is geraakt bij een steekincident tussen hem en de broers en hij daarna naar zijn zeggen jarenlang zou zijn bedreigd, is dat voor hem kennelijk nooit een reden geweest om het land te verlaten.
Uit eisers verklaringen volgt juist dat hij Algerije heeft verlaten om economische redenen, terwijl pas na zijn vertrek de nu gestelde vrees zou zijn ontstaan. Deze economische redenen zijn niet relevant, omdat ze geen raakvlak hebben met vluchtelingschap of met schending van artikel 3 van het EVRM.
3. Afgezien van het voorgaande stelt verweerder terecht dat niet aannemelijk is geworden dat eiser zich niet voor bescherming tot de Algerijnse autoriteiten zou kunnen wenden. Uit eisers eigen verklaringen volgt dat hij in 2010 bewust geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid.
4. Verweerder heeft verder nog bij de beoordeling van de aanvraag mogen betrekken dat eiser sinds september 2021 uit Algerije is vertrokken en via Spanje, Frankrijk en Luxemburg is gereisd, maar nergens eerder om bescherming heeft gevraagd. Verweerder stelt terecht dat dit afbreuk doet aan de gestelde noodzaak van de nu gevraagde bescherming. De verklaring van eiser in dit verband, dat de jongste broer van zijn ex-vriendin hem in Frankrijk zou zoeken, is hiervoor geen goede reden en is niet onderbouwd.
Ook overigens heeft eiser geen goede reden opgegeven.
5. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.