Vreemdelingenrecht

mondelinge uitspraak, Dublin Spanje, beroep ongegrond

Rechtbank Den Haag, 18 maart 2022

Zaakgegevens

Op 18 maart 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
18 maart 2022
Datum publicatie
4 april 2022
Zaaknummer
NL22.2298
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:2984
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

mondelinge uitspraak, Dublin Spanje, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.2298


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

v-nummer: 290.740.3125

(gemachtigde: mr. A. Heida),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.2299, op 18 maart 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.

2. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van beletselen om eiser aan Spanje over te dragen. Voor zover eiser vreest na overdracht aan Spanje geen toegang te zullen krijgen tot de asielopvang daar, heeft verweerder terecht gesteld dat die vrees niet aannemelijk is gemaakt met eisers verwijzing naar de landenrapporten van AIDA van 2019 en 2020 met betrekking tot Spanje. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord van 18 januari 2022 hebben toegezegd dat zij het asielverzoek van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn.

3. Met betrekking tot de tekortkomingen in de Spaanse asielopvang, zoals die naar voren komen in de beide genoemde rapporten van AIDA heeft verweerder in het bestreden besluit terecht gewezen op de uitspraak van de zittingsplaats Haarlem van 15 juli 2021. Ook is in uitspraken van andere zittingsplaatsen van de rechtbank, waaronder Middelburg, al eerder overwogen dat de geconstateerde tekortkomingen er niet toe leiden dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook heeft verweerder ter zitting in dit kader terecht gewezen op uitspraken van de zittingsplaatsen Arnhem en Groningen.

4. Dat ondanks de uitspraak van het Spaanse Tribunal Superior de Justitia en de instructie van de Spaanse minister van Arbeid, Migratie en Sociale Zekerheid nog steeds blijkt dat in sommige gevallen lastig is om toegang te krijgen tot de opvang, betekent niet dat er sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen dat hier nu anders over moet worden gedacht.

5. Ook het feit dat de toegankelijkheid van de opvang is verslechterd tijdens de eerste maanden van de Covid-19 pandemie, met uiteindelijke ongeveer 8.000 wachtenden eind oktober 2020, maakt als zodanig niet aannemelijk dat sprake is van structurele tekortkoming op grond waarvan thans zou moeten worden aangenomen dat eiser in Spanje niet tot de opvang zal worden toegelaten. De enkele stelling dat niet is gebleken dat alleen capaciteitsproblemen de oorzaak waren voor de tekortkomingen in het opvangsysteem is niet voldoende voor de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

6. In het verlengde hiervan volgt de rechtbank klager evenmin in zijn standpunt dat het geen zin zou hebben te klagen bij de Spaanse autoriteiten over eventuele problemen bij toegang tot opvang.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Asylum Information Database. Richtlijn 2013/33/EU. ECLI:NL:RBNHO:2021:5895. ECLI:NL:RBDHA:2021:5942. ECLI:NL:RBGEL:2022:1267. ECLI:NL:RBNNE:2022:557.