Vreemdelingenrecht
voorlopige voorziening, niet-ontvankelijk, connexiteit
Rechtbank Den Haag, 7 februari 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:1508 · Rechtbank Den Haag · 7 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2023-1508
Zaakgegevens
Op 7 februari 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 7 februari 2023
- Datum publicatie
- 13 februari 2023
- Zaaknummer
- NL21.9641
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1508
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
voorlopige voorziening, niet-ontvankelijk, connexiteit
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.9641
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een reguliere verblijfsvergunning afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens op 17 juni 2021 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij het besluit van 24 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft verzoeker op 3 maart 2022 een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is een verzoek om een voorlopige voorziening alleen mogelijk als er ook een bezwaar (of beroep) aanhangig is.
2. Aangezien verweerder al op het bezwaar heeft beslist, is er geen bezwaar meer aanhangig. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb wordt het verzoek om voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.
3. Bij uitspraak van 12 juni 2022, zaaknummer NL22.3632, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Verder heeft de rechtbank op 12 juni 2022, zaaknummer NL22.3633, het verzoek om een voorlopige voorziening van 3 maart 2022 afgewezen. Het verzoek om een voorlopige voorziening van 17 juni 2021 is nog aanhangig.
4. Vastgesteld wordt dat er geen beroepsprocedure meer loopt. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.