Vreemdelingenrecht
BNT. Kennelijk gegrond. 8+8 model
Rechtbank Den Haag, 10 maart 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:19005 · Rechtbank Den Haag · 10 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2023-19005
Zaakgegevens
Op 10 maart 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 10 maart 2023
- Datum publicatie
- 6 december 2023
- Zaaknummer
- NL23.1369
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19005
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT. Kennelijk gegrond. 8+8 model
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1369
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 17 juni 2022.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 1 maart 2023. Eiser is met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Eiser heeft op 17 juni 2022 een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 8 EVRM ingediend. Verweerder moet binnen zes maanden beslissen op de aanvraag. Verweerder had dus uiterlijk op 17 december 2022 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is daarom voorbij. Eiser heeft verweerder op 19 december 2022 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
3. Eiser heeft op 16 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift van 21 februari 2023 op het standpunt gesteld dat er terecht beroep is ingesteld en dat eiser, behoudens toepassing van artikel 4:17, zesde lid van de Awb, recht heeft op de maximale bestuurlijke dwangsom van €1.442,
4. Verweerder stelt dat zich in dit geval een in artikel 8:55d, derde lid, Awb, genoemde
omstandigheid voordoet. Verweerder moet nog herstel verzuim bieden aan eiser, afhankelijk van de reactie zal mogelijk nog nader gehoord worden en/of een DNA-onderzoek plaatsvinden. Gelet op de benodigde tijd hiervoor geeft verweerder aan dat hij binnen zestien weken op de aanvraag kan beslissen.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verweerder gevolgd in diens standpunt dat een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend is. De rechtbank ziet in dit geval, gelet op hetgeen in het verweerschrift is gesteld, aanleiding om verweerder op te dragen binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag van eiser.
6. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk gegrond.
8. De rechtbank wijst erop dat eiser wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat verweerder niet op grond van artikel 8:74 van de Awb griffierecht hoeft te vergoeden..
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- bij een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag van 17 juni 2022 bekend te maken;
-
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.