Vreemdelingenrecht
beroep opheffing licht inreisverbod - art. 66a, eerste lid, sub b Vw - geen bijzondere omstandigheden…
Rechtbank Den Haag, 15 maart 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:3393 · Rechtbank Den Haag · 15 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2023-3393
Zaakgegevens
Op 15 maart 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 maart 2023
- Datum publicatie
- 16 maart 2023
- Zaaknummer
- NL22.20094
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3393
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
beroep opheffing licht inreisverbod - art. 66a, eerste lid, sub b Vw - geen bijzondere omstandigheden aangetoond - recht op familie- en gezinsleven artikel 8 EVRM - onvoldoende met stukken onderbouwd - ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.20094
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2016 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgereikt.
Bij besluit van 9 januari 2019 heeft verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, sub b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Bij besluit van 3 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL22.20094) ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1956 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft meerdere aanvragen voor verblijfsvergunningen in Nederland gedaan, maar tot op heden nooit rechtmatig verblijf gehad. Verweerder heeft in 2019 een inreisverbod aan eiser opgelegd, vanwege het niet voldoen aan de vertrekplicht van in 2016 opgelegd terugkeerbesluit. Eiser wenst momenteel verblijf in Polen bij zijn partner. Eiser stelt in Polen geen verblijfsvergunning te kunnen krijgen vanwege het inreisverbod.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser voert aan dat verweerder - op grond van zijn eigen beleid - het inreisverbod ten onrechte niet heeft opgeheven vanwege de bijzondere feiten en omstandigheden van het geval. Tussen eiser en zijn partner is sprake van gezinsleven en het niet opheffen van het inreisverbod is daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM. Ook had verweerder niet mogen afzien van de hoorplicht in bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Niet in geschil tussen partijen is dat eiser sinds oplegging van het inreisverbod het grondgebied van de Europese Unie niet heeft verlaten en de tweejaarstermijn van het inreisverbod daarom nog geen aanvang heeft genomen. Partijen twisten over de vraag of verweerder tot opheffing van het inreisverbod had moeten overgaan op grond van bijzondere feiten en omstandigheden, namelijk vanwege strijdigheid met het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geen aanleiding hoeven zien om het inreisverbod van eiser op te heffen wegens strijdigheid met het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Van familieleven in Nederland is niet gebleken. Eiser stelt in Polen familie- en gezinsleven te willen uitoefenen, maar heeft dit eveneens niet onderbouwd met stukken. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om het inreisverbod van eiser op te heffen wegens strijdigheid met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat van schending van de hoorplicht in bezwaar in dit geval geen sprake kan zijn, nu tegen het bestreden besluit geen bezwaar mogelijk was. Niet valt daarom in te zien waarom deze beroepsgrond door de gemachtigde is aangevoerd, daar zij met het instellen van rechtstreeks beroep bij de rechtbank in ieder geval impliciet te kennen heeft gegeven op de hoogte te zijn van het ontbreken van een bezwaarfase. Deze beroepsgrond slaagt kennelijk niet.
Wat is de conclusie?
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.