Vreemdelingenrecht
BNT, art. 6:20 derde lid Awb, beroep deels niet-ontvankelijk, beroep deels ongegrond, PKV
Rechtbank Den Haag, 13 januari 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:383 · Rechtbank Den Haag · 13 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2023-383
Zaakgegevens
Op 13 januari 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 13 januari 2023
- Datum publicatie
- 19 januari 2023
- Zaaknummer
- NL22.10080
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:383
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BNT, art. 6:20 derde lid Awb, beroep deels niet-ontvankelijk, beroep deels ongegrond, PKV
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.10080
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 1 juni 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 12 augustus 2021.
Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
Desgevraagd heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat het beroep wordt gehandhaafd.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 5 augustus 2022 heeft beslist op de asielaanvraag van eiser. Hiermee is het procesbelang komen te vervallen. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in een uitspraak van 30 november 2022 geoordeeld dat artikel 1 van de Tijdelijke wet, voor zover daarin het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen wordt uitgesloten, niet in strijd is met het Unierechtelijk gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel en evenmin met artikel 47 van het Handvest. Nu eiser hiermee niet kan bereiken wat hij wil, ontbreekt het procesbelang. Het beroep is daarom ook kennelijk niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de stelling dat verweerder aan eiser bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd.
4. Eiser voert aan dat verweerder in het besluit van 5 augustus 2022 ten onrechte niet is uitgegaan van de door hem opgegeven identiteit, inclusief de door hem opgegeven geboortedatum. Eiser stelt dat hij de door hem opgegeven identiteit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit het besluit van 5 augustus 2022 blijkt echter dat de daartoe overgelegde documenten vals zijn bevonden en dat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd. Nu eiser zijn stelling niet met andere documenten heeft onderbouwd is het beroep, voor zover het ziet op de aannemelijkheid van de door eiser opgegeven identiteit, kennelijk ongegrond.
5. Eiser heeft terecht beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
-
verklaart het beroep, voor zover dat is gericht op de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom, kennelijk niet-ontvankelijk;
-
verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,- (achthonderdzevenendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.