Vreemdelingenrecht
Beroep tegen inwilligend besluit omwille van het niet-toekennen van een bestuurlijke dwangsom.
Rechtbank Den Haag, 24 januari 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:650 · Rechtbank Den Haag · 24 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2023-650
Zaakgegevens
Op 24 januari 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 januari 2023
- Datum publicatie
- 25 januari 2023
- Zaaknummer
- NL22.5773
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:650
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen inwilligend besluit omwille van het niet-toekennen van een bestuurlijke dwangsom.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.5773
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd maar geen bestuurlijke dwangsom toegekend.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft zijn aanvraag op 21 juli 2021 ingediend. Dit betekent dat de wettelijke beslistermijn op 21 januari 2022 is verstreken. Eiser heeft verweerder bij brief van 25 januari 2022 laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat verweerder op 4 april 2022 een besluit heeft genomen.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geen bestuurlijke dwangsom aan eiser toegekend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende ingebrekestelling geldig is maar dat hij, gelet op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet), geen dwangsom verschuldigd is.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
4. Eiser voert aan dat verweerder aan hem ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom heeft toegekend. Volgens eiser is de Tijdelijke wet onverbindend, voor zover hierbij is uitgesloten dat verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurt. Ook voert eiser aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat hij aan andere asielzoekers die na de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet een ingebrekestelling hebben ingediend, wel een dwangsom heeft toegekend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.
6. De rechtbank overweegt dat in de Tijdelijke wet, zoals deze geldt vanaf 11 juli 2021, is neergelegd dat artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 30 november 2022 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat de Tijdelijke wet, voor zover daarin is uitgesloten dat verweerder een dwangsom verbeurt indien hij na een ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag niet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, het Unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat hij geen bestuurlijke dwangsom aan eiser heeft verbeurd.
7. De rechtbank overweegt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat eiser dit beroep niet nader heeft geconcretiseerd. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of sprake is van gelijke gevallen die gelijk moeten worden behandeld.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr.J.C. de Grauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.