Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 2 juni 2023

Zaakgegevens

Op 2 juni 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
2 juni 2023
Datum publicatie
2 juni 2023
Zaaknummer
NL23.736
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:7923
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

art 6 Rusland

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.736


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. I. Wudka),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).


Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2023 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 10 januari 2023 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk af te doen. Eiser heeft op 11 januari 2023 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 16 januari

2023 een reactie ingediend. De rechtbank heeft op 20 januari 2023 het onderzoek

gesloten.

Overwegingen

Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

De gemachtigde van eiser voert aan dat de noodzaak niet bestond om eiser de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Eiser heeft zeer goed gedocumenteerd een asielaanvraag ingediend en uit deze documentatie valt op te maken dat hij uit de voormalige Sovjet-Unie komt. Hij valt dan ook onder het besluitmoratorium.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 3 juni 2016 volgt dat verweerder bij

toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets

hoeft te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Verweerder moet een

redelijke termijn worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de

vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure,

waarbij de beslissing hierover in beginsel wordt genomen na het nader gehoor, omdat dan

alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast kan verweerder bijvoorbeeld onderzoeken of

sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een

mogelijke Dublinclaim. Slechts wanneer evident is dat de aanvraag niet meer in de

grensprocedure kan worden afgedaan, bijvoorbeeld als vaststaat dat de termijn van 28 dagen

zal worden overschreden, kan hieraan in deze procedure een conclusie ten aanzien van de

vrijheidsontnemende maatregel worden verbonden.

Het aanmeldgehoor heeft op 9 januari 2023 plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan

heeft verweerder op 10 januari 2023 geconcludeerd dat de asielaanvraag van eiser zich

niet leent voor afdoening in de grensprocedure en is de vrijheidsontnemende maatregel op

diezelfde datum opgeheven. De maatregel heeft naar het oordeel van de rechtbank niet

onredelijk lang voortgeduurd. Hiermee heeft verweerder zorgvuldig en voldoende

voortvarend gehandeld. Dat eiser de Russische nationaliteit heeft en goed gedocumenteerd asiel heeft aangevraagd maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiser niet de dienstplichtige leeftijd zodat hij niet onder het besluitmoratorium valt.

Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet

worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om

schadevergoeding afgewezen.

Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van N.V. Nunes, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

ECLI:NL:RVS:2016:1451