Vreemdelingenrecht

beroep niet tijdig (BNT), gegrond

Rechtbank Den Haag, 5 juli 2023

Zaakgegevens

Op 5 juli 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
5 juli 2023
Datum publicatie
5 juli 2023
Zaaknummer
NL22.24356
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:9709
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep niet tijdig (BNT), gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.24356


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

geboren op 14 mei 1950

nationaliteit onbekend.

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.M.I. Eleveld),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (Afdeling) van 5 september 2022 (202108217/1/V3). De Afdeling heeft met die uitspraak het hoger beroep van eiseres tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen, van 2 december 2021 (AWB 21/1638) gegrond verklaard en heeft daarbij verweerder opgedragen binnen twaalf weken opnieuw op het bezwaar te beslissen. Eiseres stelt op 29 november 2022 beroep in omdat verweerder dat niet heeft gedaan.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

2. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder tot op heden geen nieuw besluit heeft genomen op het bezwaar van eiseres. Gelet op artikel 6:12, derde lid, van de Awb is voorafgaand aan een beroep tegen het niet beslissen geen ingebrekestelling nodig.

4. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

5. Verweerder heeft op 9 januari 2023 erkent dat het juist is dat verweerder niet binnen de door de Afdeling opgelegde twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen. Een hoorzitting stond gepland op 9 maart 2023. Na deze hoorzitting heeft verweerder aangegeven zo snel mogelijk en uiterlijk over vier weken een nieuw besluit op bezwaar te zullen nemen. Dat is dus niet gebeurd. De rechtbank legt verweerder daarom de in het bestuursrecht gebruikelijke termijn van twee weken op om te beslissen op het bezwaar.

6. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Nu eiseres is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen, hoeft verweerder dit niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak

alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag

waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. Kinds, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.