Vreemdelingenrecht
Uitstel van vertrek. Vovo hangende bezwaar. Verweerder verzet zich niet.
Rechtbank Den Haag, 5 februari 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:1412 · Rechtbank Den Haag · 5 februari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2024-1412
Zaakgegevens
Op 5 februari 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 5 februari 2024
- Datum publicatie
- 8 februari 2024
- Zaaknummer
- NL 23 16376
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1412
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitstel van vertrek. Vovo hangende bezwaar. Verweerder verzet zich niet.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.16376
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: S.H.M. Maas).
Procesverloop
In het besluit van 2 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de ambtshalve beoordeling om toepassing van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen.
Verzoeker heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij tijdens de behandeling van het bezwaar in Nederland recht houdt op opvangvoorzieningen.
Verweerder heeft meegedeeld zich niet tegen toewijzing van het verzoek en veroordeling in de proceskosten te verzetten.
Op verzoek van beide partijen doet de voorzieningenrechter uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Overwegingen
1. Van de indiener van een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter wordt griffierecht geheven. Verzoeker heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld. Eerder heeft de voorzieningenrechter dit verzoek voorlopig toegewezen. Gelet op wat verzoeker naar voren heeft gebracht over zijn inkomen, en gelet op het door hem ondertekende formulier, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om dit verzoek definitief toe te wijzen. Van verzoeker zal dan ook geen griffierecht worden geheven.
2. In de omstandigheid dat verweerder heeft meegedeeld zich niet te verzetten tegen de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om het verzoek op hierna te melden wijze als kennelijk gegrond toe te wijzen.
3. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
? wijst het verzoek toe en bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat uitzetting van verzoeker uit Nederland achterwege blijft, en dat verzoeker zijn opvangvoorzieningen behoudt, tot vier weken nadat er op zijn bezwaarschrift is beslist;
? veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.