Vreemdelingenrecht
Dublin Denemarken, beroep niet-ontvankelijk, vovo niet-ontvankelijk, geen gronden.
Rechtbank Den Haag, 18 november 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:19151 · Rechtbank Den Haag · 18 november 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2024-19151
Zaakgegevens
Op 18 november 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 november 2024
- Datum publicatie
- 20 november 2024
- Zaaknummer
- NL24.41105 en NL24.41106
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19151
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin Denemarken, beroep niet-ontvankelijk, vovo niet-ontvankelijk, geen gronden.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.41105 en NL24.41106
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
mede namens
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 oktober 2024 niet in behandeling genomen omdat Denemarken ervoor verantwoordelijk is.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk niet-ontvankelijk. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift de gronden van beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van 21 oktober 2024 geen gronden van beroep bevat. Op 22 oktober 2024 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op het verzuim gewezen en verzocht dit uiterlijk op 29 oktober 2024 te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank er op gewezen dat het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet, of niet tijdig, wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.
5. Eiser heeft geen gronden ingediend, noch aangegeven waarom dit niet tijdig kon gebeuren. Nu er niet binnen de gestelde herstelverzuimtermijn beroepsgronden zijn ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
7. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.