Vreemdelingenrecht

vovo, niet-ontvankelijk, geen connexiteit

Rechtbank Den Haag, 7 maart 2024

Zaakgegevens

Op 7 maart 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
7 maart 2024
Datum publicatie
13 maart 2024
Zaaknummer
NL23.23154
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:3360
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vovo, niet-ontvankelijk, geen connexiteit

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.23154


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

In het besluit van 11 augustus 2023 (primair besluit) heeft verweerder ambtshalve bepaald dat verzoeker niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder in het besluit van 20 december 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft vrijstelling gevraagd van de verplichting om griffierecht te betalen. Gelet op dat verzoek, wordt de gevraagde vrijstelling verleend.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is een verzoek om een voorlopige voorziening alleen mogelijk als er ook een bezwaar (of beroep) aanhangig is.

3. Aangezien verweerder al op het bezwaar heeft beslist, is er geen bezwaar meer aanhangig. Evenmin is beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar, terwijl de termijn daarvoor inmiddels is verlopen. Er kan hierdoor geen toepassing worden gegeven aan artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.

4. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.