Vreemdelingenrecht

asiel, opvolgende aanvraag, mensenhandel, Afdelingsuitspraak van 23 november 2023 en algemeen ambtsbericht…

Rechtbank Den Haag, 4 april 2024

Zaakgegevens

Op 4 april 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
4 april 2024
Datum publicatie
4 april 2024
Zaaknummer
NL24.8697
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:4726
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

asiel, opvolgende aanvraag, mensenhandel, Afdelingsuitspraak van 23 november 2023 en algemeen ambtsbericht Nigeria hebben geen invloed op de beoordeling van onderhavige aanvraag omdat mensenhandelrelaas in eerdere procedures ongeloofwaardig is geacht, alleenstaande moeder, eiseres heeft netwerk in Nigeria, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.8697


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam 1] , eiseres,

geboren op [geboortedatum 1] ,

V-nummer: [nummer 1]

mede namens haar minderjarig kind:

[naam 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] ,

V-nummer: [nummer 2]

beiden van Nigeriaanse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring van de asielaanvraag. Eiseres heeft -mede namens haar minderjarig kind- op 12 januari 2024 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 februari 2024 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de of verweerder de opvolgende asielaanvraag van eisers niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

Voorgeschiedenis

3. Op 16 januari 2019 heeft eiseres -mede namens haar minderjarig kind- voor het eerst een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 24 april 2019 heeft verweerder die aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiseres in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Het daartegen ingediende beroep is bij uitspraak van 24 juli 2019 door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard.

3.1.

Eiseres en haar minderjarig kind zijn niet binnen de daartoe geldende termijn overgedragen aan de Italiaanse autoriteiten en zijn derhalve toegelaten tot de nationale procedure. Vervolgens heeft eiseres -mede namens haar minderjarig kind- op 8 oktober 2019 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft zij het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres is uit Nigeria vertrokken omdat zij met de broer van haar overleden man moest trouwen en eiseres dit niet wilde. Eiseres is door deze broer met de dood bedreigd en door hem ook twee maal verkracht en mishandeld. Eiseres is met behulp van een mensensmokkelaar uit Nigeria gevlucht en naar Libië gegaan. Madame Blessing heeft eiseres haar reis naar Italië betaald en eiseres heeft als terugbetaling hiervan schoonmaak- en prostitutiewerk moeten verrichten. Vervolgens is eiseres naar Nederland vertrokken omdat zij vreest bij terugkeer naar Nigeria door haar schoonouders te zullen worden vermoord.

3.1.1.

Verweerder heeft het hiervoor weergegeven asielrelaas ongeloofwaardig geacht en de aanvraag bij besluit van 30 september 2021 afgewezen als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Bij uitspraak van 25 november 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en daartoe -onder andere- het volgende geoordeeld:

“(…)

Mensenhandel

10. Eiseres voert verder aan dat zij slachtoffer is van mensenhandel en dat verweerder dit element ten onrechte niet heeft getoetst. Volgens eiseres is bij de mensensmokkelaar bekend wie zij is en waar zij vandaan komt. Zij zal dus in Nigeria worden gevonden door de mensensmokkelaar die alsnog geld van haar zal willen of haar onmenselijk zal behandelen. Eiseres stelt - onder verwijzing naar pagina 123 van het Algemeen Ambtsbericht inzake Nigeria van maart 2021 - dat de Nigeriaanse autoriteiten haar niet kunnen beschermen tegen de mensensmokkelaar.

(…)

10.2.

Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres (ook in de huidige procedure) niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer van mensenhandel is geworden en dat zij daardoor bij terugkeer nar Nigeria in handen van de mensensmokkelaar zal vallen. De rechtbank verwijst daarbij naar de afdoende en navolgbare motivering in het verweerschrift.”

3.1.2.

Op 19 januari 2023 heeft de Afdeling voornoemde uitspraak van de rechtbank bevestigd.

3.2.

Vervolgens heeft eiseres op 26 januari 2023 een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend. Uit het BMA-advies is gebleken dat een medische noodsituatie op korte termijn niet wordt verwacht. Met het besluit van 1 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het daartegen ingediende beroep is bij uitspraak van 29 november 2023 ongegrond verklaard.

3.3.

Eiseres heeft op 25 juli 2023 -mede namens haar minderjarig kind- wederom een opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij vreest om slachtoffer te worden van de smokkelaarsbende die haar zou hebben geholpen. Eiseres stelt deze smokkelaars geld schuldig te zijn en vreest voor represailles bij terugkeer. Eiseres heeft ook verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht over Nigeria van januari 2023. Bij besluit van 7 september 2023 heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Het daartegen namens eiseres ingediende beroep is door rechtbank Den Haag bij uitspraak van 18 oktober 2023 ongegrond verklaard. Hierin is -onder andere- het volgende geoordeeld:

“(…)

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gestelde problemen van eiseres met de smokkelaar(s) al in een eerdere procedure ongeloofwaardig gevonden en staat deze conclusie in rechte vast. Weliswaar zijn deze problemen niet eerder in een besluit van verweerder als een relevant element aangemerkt, maar uit de al genoemde uitspraak van zittingsplaats Zwolle van 25 november 2022 blijkt dat deze asielgrond wel degelijk inhoudelijk is behandeld.

6.2.

Ten aanzien van het Algemeen Ambtsbericht over Nigeria van 2023 oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft overwogen dat de aangehaalde informatie niet relevant is. Het Algemeen Ambtsbericht bevat weliswaar informatie over represailles door mensensmokkelaars en het gebrek aan bescherming in Nigeria, maar deze informatie is niet van toepassing op eiseres, omdat de ongeloofwaardigheid van haar asielrelaas op dit punt in rechte vast staat. Het nieuwe ambtsbericht is dus door verweerder terecht niet gezien als een nieuw element of bevinding omdat dit de kans niet groter maakt dat eiseres in aanmerking komt voor internationale bescherming en dus niet relevant is.”

Onderhavige procedure

4. Op 12 januari 2024 heeft eiseres -mede namens haar minderjarig kind- onderhavige asielaanvraag ingediend. Op het formulier M35-O is aangegeven dat verweerder aannemelijk heeft geacht dat eiseres gebruik heeft gemaakt van mensensmokkelaars. Eiseres wordt nog altijd door de smokkelaarsbende bedreigd. Bij terugkeer naar Nigeria zal vrijwel zeker sprake zal zijn van schending van artikel 3 EVRM, omdat eiseres dan opnieuw in contact zal komen met de smokkelaarsbende. Daarnaast heeft eiseres bij haar opvolgende aanvraag een Afdelingsuitspraak van 23 november 2023 overgelegd.

5. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Volgens verweerder zijn er -kort samengevat- geen nieuwe elementen of bevindingen aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de opvolgende aanvraag.

5.1.

In de gronden van beroep is namens eiseres het volgende -samenvat- aangevoerd. Verweerder heeft de asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres is een alleenstaande vrouw en verblijft inmiddels langdurig buiten haar land van herkomst en kan niet terug naar haar (schoon)familie. Verweerder had het relevante element “alleenstaande vrouw met kind zonder netwerk” dan ook inhoudelijk moeten beoordelen. Zonder connecties loopt eiseres als alleenstaande moeder in Nigeria een reëel risico op een onmenselijke behandeling zoals die is verboden door artikel 3 van EVRM. Daarnaast is het ook aannemelijk dat eiseres als terugkerend slachtoffer van mensenhandel in Nigeria het risico loopt op represailles. Zij verwijst hieromtrent naar het ambtsbericht. Nu dit ambtsbericht van een latere datum is dan de eerdere asielprocedure had verweerder inhoudelijk ook op dit risico moeten ingaan.

5.2.

De gemachtigde van eisers heeft in het bericht van 27 maart 2024 -ter aanvulling op de beroepsgronden- nog het volgende naar voren gebracht. Een in het verleden ongeloofwaardig bevonden mensenhandelrelaas betekent niet dat eiseres nooit gebruik heeft gemaakt van een netwerk van mensenhandelaren. Immers, het is verweerder bekend dat eiseres met behulp van smokkelaars naar Italië is gebracht. Zoals blijkt uit de huidige jurisprudentie kan enkel het contact met voornoemd netwerk al gevaar opleveren bij terugkeer naar Nigeria.

6. De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling of bij opvolgende aanvragen sprake is van een nieuw element uit twee stappen bestaat. De eerste stap is het beoordelen van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit twee fasen. In de eerste fase wordt onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn in verband met de behandeling van de vraag of een vreemdeling in aanmerking kan komen voor internationale bescherming. Elementen of bevindingen zijn nieuw wanneer die niet eerder zijn onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en waarop dat besluit niet kon worden gebaseerd. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, komt verweerder toe aan de tweede fase. In de tweede fase wordt onderzocht of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Pas als aan beide afzonderlijke vereisten is voldaan, moet verweerder overgaan tot stap twee, die inhoudt dat hij de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in onderhavige procedure niet tot een inhoudelijke beoordeling heeft hoeven komen en dat de opvolgende aanvraag op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard. Hiervoor acht de rechtbank het volgende van belang. Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rechtsoverwegingen 3.1.1. tot en met 3.1.2. heeft verweerder terecht vastgesteld dat het besluit van 30 september 2021, waarin de problemen van eiseres omtrent mensenhandel ongeloofwaardig zijn geacht, in rechte vaststaat. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de bij de onderhavige aanvraag gevoegde Afdelingsuitspraak van 23 november 2023 geen invloed heeft op de beoordeling van onderhavige opvolgende asielaanvraag. Hiervoor is van belang dat hetgeen in deze Afdelingsuitspraak is geoordeeld ziet op het risico op ernstige schade voor vreemdelingen met een geloofwaardig bevonden relaas over mensenhandel. In eiseres haar geval is hiervan echter geen sprake. De -nader toegelichte- beroepsgrond dat enkel het contact met een netwerk van mensenhandelaren al gevaar kan opleveren, maakt dat oordeel niet anders nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor haar reis gebruik heeft gemaakt van mensenhandelaren.

6.2.

Het beroep namens eiseres op het ambtsbericht Nigeria van 2023, waarin staat weergegeven dat slachtoffers van mensenhandel bij terugkeer naar Nigeria wel degelijk een risico lopen op represailles, kan evenmin slagen. Verweerder heeft op goede gronden overwogen dat het ambtsbericht van 2023 geen verschil maakt voor het beoordelen van een risico bij terugkeer, omdat eiseres haar slachtofferschap aan mensenhandel immers ongeloofwaardig is geacht.

6.3.

Omtrent de -in de zienswijze aangehaalde- uitspraak van rechtbank Rotterdam van 24 januari 2024 wordt verweerder gevolgd in het standpunt dat de in die uitspraak geschetste situatie niet overeenkomt met die in onderhavige procedure. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft gemotiveerd heeft eiseres -anders dan de vreemdeling in de procedure van rechtbank Rotterdam- wel een netwerk in Nigeria. Zo heeft eiseres immers verklaard dat haar beide ouders nog in leven zijn en dat haar andere kinderen verblijven bij haar moeder in Nigeria. Voorts heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiseres haar status als alleenstaande vrouw niet heeft aangedragen als reden voor het indienen van onderhavige asielaanvraag.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen vergoeding van hun proceskosten krijgen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet. NL19.9610. NL21.17006. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie de uitspraak van 19 januari 2023, 202207357/1/V3 en 202207357/2/V3. Bureau Medische Advisering. NL23.18762 en NL23.9763. NL23.29108 en NL23.29109. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. ECLI:NL:RVS:2023:4346. Algemeen Ambtsbericht Nigeria van 2023, pagina 88. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208, r.o. 5.1-5.3. NL23.28709.