Vreemdelingenrecht

BNT, niet-ontvankelijk, premature ingebrekestelling wegens WBV

Rechtbank Den Haag, 8 april 2024

Zaakgegevens

Op 8 april 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
8 april 2024
Datum publicatie
8 april 2024
Zaaknummer
NL23.23774
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:4894
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT, niet-ontvankelijk, premature ingebrekestelling wegens WBV

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.23774


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. L.M. Ligtvoet-van Tuijn),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Inleiding

1.1.

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag.

1.2.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Overwegingen

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vooraf

3. Eiser bepleit dat de aanvraag is ingediend op 15 november 2021. De rechtbank stelt vast dat dit de aanvang was van de procedure in het kader van de Dublinverordening. In het geval van eiser was Italië (fictief claimakkoord) verantwoordelijk. De Nederlandse autoriteiten hebben eiser in de brief van 5 juli 2022 medegedeeld dat zijn aanvraag is opgenomen in de nationale procedure. Nederland is naar het oordeel van de rechtbank vanaf dat moment verantwoordelijk voor eisers aanvraag (vgl. artikel 42, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op dat moment is de beslistermijn voor dit beroep gaan lopen.

Beroep niet tijdig

4. De staatssecretaris moet binnen zes maanden beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 42, eerste lid, van de Vw. Deze termijn kan verlengd worden met ten hoogste negen maanden. De staatssecretaris heeft bij WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden verlengd, zodat de beslistermijn eindigde op 5 oktober 2023. Eiser heeft de staatssecretaris op 24 juli 2023 in gebreke gesteld. Dat is dan te vroeg. De beslistermijn was op het moment van het in gebreke stellen nog niet verstreken. De ingebrekestelling is niet geldig.

5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.