Vreemdelingenrecht
vovo; derdelander (RTB); verzoek om pkv toegewezen.
Rechtbank Den Haag, 13 mei 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:7564 · Rechtbank Den Haag · 13 mei 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2024-7564
Zaakgegevens
Op 13 mei 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 13 mei 2024
- Datum publicatie
- 21 mei 2024
- Zaaknummer
- NL24.19611
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7564
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vovo; derdelander (RTB); verzoek om pkv toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19611
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 29 januari 2024 een informatiebrief aan verzoeker gestuurd waarin staat dat verzoeker tot en met 4 maart 2024 valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en dat zijn recht op tijdelijke bescherming daarna automatisch stopt. Verzoeker heeft tegen deze informatiebrief beroep ingesteld. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 28 maart 2024 (NL24.7944) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Bij digitaal bericht van 5 april 2024 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om het verzoek alsnog toe te wijzen. De rechtbank heeft dit verzoek aangemerkt als een nieuw verzoek om voorlopige voorziening (NL24.19611).
Bij brief van 1 mei 2024 heeft de staatssecretaris verzoeker bericht dat de gevolgen van het stoppen van tijdelijke bescherming bij besluit van 25 april 2024 zijn bevroren als gevolg van de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 april 2024 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde prejudiciële vragen.
Bij digitaal bericht van 5 mei 2024 heeft verzoeker het verzoek ingetrokken met het verzoek om een proceskostenveroordeling.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is de staatssecretaris aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. De staatssecretaris is in dit geval aan verzoeker tegemoetgekomen, nu verzoeker als gevolg van het besluit van de staatsecretaris van 25 april 2024 weer gebruik kan maken van de rechten die hij had onder de RTB. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om op 5 april 2024 opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de staatssecretaris in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient de staatssecretaris te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 875,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die de staatssecretaris moet vergoeden € 875,- bedragen. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet de staatssecretaris de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe.
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.