Vreemdelingenrecht
Beroep tegen niet tijdig beslissen (BNT), asiel, niet-ontvankelijk, hangende het beroep is een besluit…
Rechtbank Den Haag, 22 mei 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:8768 · Rechtbank Den Haag · 22 mei 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2024-8768
Zaakgegevens
Op 22 mei 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 22 mei 2024
- Datum publicatie
- 6 juni 2024
- Zaaknummer
- NL24.13278
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8768
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen niet tijdig beslissen (BNT), asiel, niet-ontvankelijk, hangende het beroep is een besluit genomen, proceskostenveroordeling, vaststellen en opleggen van bestuurlijke en rechterlijke dwangsom is niet mogelijk als het beroep niet-ontvankelijk is.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.13278
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 26 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door verweerder (hierna: de aanvraag).
Op 18 april 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Eiser heeft laten weten het inhoudelijk met het besluit eens te zijn, maar het beroep te willen handhaven. Eiser verzoekt de rechtbank verder om “aan verweerder dwangsommen op te leggen” en verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten die eiser heeft gemaakt.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
Ontvankelijkheid
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
[afbeelding niet beschikbaar]1. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn aanvraag. Omdat verweerder heeft beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Eiser heeft daarom geen belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
Proceskostenveroordeling
4. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de vraag of verweerder de proceskosten van eiser moet betalen is van belang of het beroep terecht is ingesteld. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
5. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht. Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De asielaanvraag van eiser valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. De beslistermijn in zijn zaak is dus met negen maanden verlengd. De termijn om te beslissen op zijn aanvraag was daarom nog niet verstreken toen hij de ingebrekestelling indiende bij verweerder. De ingebrekestelling is daarmee prematuur. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep op grond van het niet tijdig beslissen door verweerder, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Als verweerder niet hangende het beroep alsnog een besluit had genomen, was het beroep om deze reden niet-ontvankelijk geweest. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom niet tot vergoeden van de proceskosten van eiser.
Het verzoek om dwangsommen vast te stellen
6. Voor zover eiser de rechtbank verzoekt om een bestuurlijke dwangsom vast stellen in de zin van artikel 8:55c van de Awb of een rechterlijke dwangsom op te leggen in de zin van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, overweegt de rechtbank dat het niet mogelijk is om deze verzoeken in te willigen, aangezien het beroep niet-ontvankelijk is.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 mei 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.