Vreemdelingenrecht
Bewaring volgberoep. Beroep ongegrond, zicht op uitzetting is aanwezig en er wordt voldoende voortvarend…
Rechtbank Den Haag, 13 juni 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:10342 · Rechtbank Den Haag · 13 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-10342
Zaakgegevens
Op 13 juni 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 13 juni 2025
- Datum publicatie
- 13 juni 2025
- Zaaknummer
- NL25.23609
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10342
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring volgberoep. Beroep ongegrond, zicht op uitzetting is aanwezig en er wordt voldoende voortvarend gehandeld. Geen aanleiding voor een lichter middel.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23609
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).
Inleiding
1. De minister heeft op 6 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 25 april 2025. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 18 april 2025 rechtmatig is.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat zicht op uitzetting ontbreekt. De presentatie van eiser heeft lang op zich laten wachten en Nigeria zal niet meewerken aan de terugkeer van eiser. Tot slot dient de minister inzichtelijk te maken op welke termijn wordt verwacht de uitzetting te kunnen realiseren.
Oordeel van de rechtbank
5. De beroepsgronden slagen niet. Er is schriftelijk op de laissez-passer (lp) aanvraag gerappelleerd op 1 en 21 mei 2025. Daarnaast heeft op 9 mei en 2 juni 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 5 juni 2025 is eiser gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten en daarbij is zijn nationaliteit bevestigd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria zowel in het algemeen als specifiek voor eiser niet ontbreekt. Nu de nationaliteit van eiser is bevestigd, is de verwachting dat spoedig een lp zal worden afgegeven.
De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft ook geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.