Vreemdelingenrecht

asiel. algerijnse nationaliteit. identiteit ongeloofwaardig want geen identiteitsdocumenten en verschillende…

Rechtbank Den Haag, 6 november 2025

Zaakgegevens

Op 6 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
6 november 2025
Datum publicatie
21 juli 2026
Zaaknummer
NL25.44208 en NL25.42209
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28036
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

asiel. algerijnse nationaliteit. identiteit ongeloofwaardig want geen identiteitsdocumenten en verschillende aliassen. veroordeling bij verstek ook ongeloofwaardig want geen documenten. kennelijk ongegrond. terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.42208 (beroep) en NL25.42209 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[eiser] alias [eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Birrou),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om zijn voorlopige voorziening.

1.1.

Eiser heeft op 21 augustus 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben bericht niet te verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1989. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Algerije in de drugshandel heeft gewerkt en dat hij hierdoor meerdere incidenten heeft meegemaakt met jongens uit de buurt waarbij hij gestoken is. Eiser is veroordeeld geweest voor mishandeling, drugshandel en diefstal waar hij meermaals voor in de gevangenis heeft gezeten. Eiser is bij verstek veroordeeld tot twintig jaar gevangenis voor diefstal met geweld van auto’s terwijl hij de feiten niet heeft gepleegd. De jongens waar hij problemen mee heeft gehad in het verleden hebben valse verklaringen tegen hem afgelegd. Eiser vreest bij terugkeer voor de autoriteiten en voor de mensen met wie hij problemen heeft gehad.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

  1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

  2. eisers veroordeling bij verstek;

  3. eisers meermalige mishandelingen door mede-drugshandelaars uit zijn buurt.

3.1.

Eiser heeft geen objectief document overgelegd om zijn relaas te onderbouwen. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser zijn asielmotieven anderszins aannemelijk heeft gemaakt, maar dit is niet het geval. Verweerder vindt eisers identiteit en zijn veroordeling bij verstek niet geloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd met betrekking tot deze asielmotieven en daarvoor heeft hij geen goede verklaring. Ook vormen de verklaringen van eiser over zijn veroordeling bij verstek geen samenhangend en aannemelijk geheel. Bovendien kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd nu hij in de vorige procedures met onbekende bestemming is vertrokken en omdat hij van meerdere aliassen gebruik heeft gemaakt tijdens zijn verblijf in Europa. Het derde asielmotief vindt verweerder wel geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat het gaat om een opvolgende aanvraag, dat niet niet-ontvankelijk is verklaard.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met het besluit en voert het volgende aan. Zijn identiteit is ten onrechte ongeloofwaardig geacht nu verweerder dit heeft gebaseerd op het gebruik van een alias en het ontbreken van documenten. Ook heeft verweerder de veroordeling bij verstek ten onrechte ongeloofwaardig acht. Het enkel ontbreken van documenten kan niet doorslaggevend zijn in de beoordeling nu eiser wel consequent en gedetailleerd heeft verklaard. Verder wordt ten onrechte gezegd dat er sprake is van een vestigingsalternatief. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod is nagelaten een actuele beoordeling te maken. Daarmee is het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.

Mocht verweerder de identiteit van eiser ongeloofwaardig vinden?

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de identiteit van eiser ongeloofwaardig mocht vinden. Verweerder mocht eiser tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en hij daar geen goede verklaring voor heeft. Verweerder mocht hierbij betrekken dat eiser nooit identificerende documenten heeft overgelegd of geprobeerd deze aan te vragen. Eiser is al meer dan twee jaar in Europa en verweerder mag verwachten dat eiser in deze tijd de gelegenheid heeft gehad om de documenten aan te vragen. Tevens mocht verweerder betrekken dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig beschouwd kan worden nu eiser in zijn vorige procedures met onbekende bestemming is vertrokken en verschillende aliassen heeft gebruikt. Dat eiser tweemaal zijn procedure niet heeft afgewacht in Nederland toont niet aan dat eiser een daadwerkelijke noodzaak heeft voor bescherming. Ook mocht verweerder betrekken dat eiser zich met een andere naam heeft opgegeven aan de autoriteiten van België. Dat eiser wel consequent en gedetailleerd heeft verklaard over zijn achtergrond en nationaliteit verandert het oordeel niet. Ook het standpunt van eiser dat het gebruik van aliassen een beschermingsmaatregel was, verandert het oordeel van de rechtbank niet nu eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij in België een alias moest gebruiken en dit niet nodig was in Nederland. Met betrekking tot de verkeerde geboortedatum van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit al aangegeven dat eiser dit niet langer wordt tegengeworpen door verweerder.

Mocht verweerder de veroordeling bij verstek ongeloofwaardig vinden?

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de veroordeling bij verstek ongeloofwaardig mocht vinden. Verweerder mocht aan eiser tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en hij daar geen goede verklaring voor heeft. Zo heeft eiser het fysieke exemplaar van zijn veroordeling niet overgelegd terwijl hij wel heeft verklaard dat hij dit exemplaar thuis in Algerije heeft liggen. Eiser heeft verklaard dat de veroordeling de belangrijkste reden is waarom hij uit Algerije is gevlucht en verweerder mag eiser daarom tegenwerpen dat hij - volgens zijn eigen verklaringen - in de twee jaar die eiser inmiddels in Europa verblijft nooit heeft geprobeerd het document, zelfs niet een digitale kopie ervan, te overleggen. Dat eiser op enig moment in bewaring zat, doet hier niet aan af. Eiser heeft immers eerder in Nederland asielaanvragen ingediend en was of had daarmee op de hoogte moeten zijn van het belang van stukken om zijn asielrelaas te onderbouwen. Bovendien wordt eiser bijgestaan door een professioneel gemachtigde, die eiser had kunnen helpen om via zijn Algerijnse advocaat of familieleden alsnog het document over te leggen. Verweerder was dan ook niet gehouden om nader onderzoek te doen of eiser een hersteltermijn te bieden. Het is aan eiser om zijn asielrelaas zoveel als mogelijk met stukken te onderbouwen en verweerder heeft mogen vinden dat eiser dat niet heeft gedaan.

7.1.

Ook mocht aan eiser tegengeworpen worden dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard nu hij onduidelijk en wisselend heeft verklaard over het verloop en status van de zaak. Ten eerste heeft eiser niet duidelijk verklaard waarom hij precies veroordeeld is en waarom hij in de gevangenis zal belanden bij terugkeer. Ook kan eiser weinig verklaren over de inhoud van de veroordeling en ook niet van wanneer het document gedateerd is. Ten slotte verklaart eiser ook wisselend over hoeveel verklaringen er tegen hem zijn afgelegd en wat de status is van de zaak die tegen hem loopt. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat eiser consequent en gedetailleerd over de veroordeling bij verstek heeft verklaard niet.

Loopt eiser bij terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade?

8. Niet is aannemelijk gemaakt dat eiser als vluchteling kan worden aangemerkt en dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije. Het betoog van eiser dat hij niet kan terugkeren naar Algerije omdat hij nationaal wordt gezocht slaagt niet nu zijn veroordeling bij verstek niet geloofwaardig wordt geacht. Eiser heeft ook niet met stukken onderbouwd dat hij nationaal gesignaleerd staat. Het asielmotief ‘mishandelingen door mede-drugshandelaars uit zijn buurt’ heeft verweerder wel geloofwaardig geacht. Echter heeft eiser zelf verklaard dat hij zich ergens anders in Algerije kan vestigen en dat hij dan geen problemen meer zou hebben met deze jongens. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij een terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade loopt.

Mocht verweerder de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?

9. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser een opvolgende aanvraag heeft ingediend, die niet niet-ontvankelijk is verklaard.

Het standpunt van eiser dat verweerder geen inhoudelijke beoordeling heeft gemaakt van de nieuwe elementen slaagt niet nu verweerder weldegelijk – en kenbaar – de nieuwe elementen inhoudelijk heeft beoordeeld in zijn besluitvorming.

Mocht verweerder het opgelegde terugkeerbesluit handhaven?

10. De rechtbank ziet geen aanleiding om het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod te vernietigen. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder de veroordeling bij verstek van eiser ongeloofwaardig mogen vinden. De gestelde onmenselijke omstandigheden in Algerijnse gevangenissen, heeft verweerder in zoverre daarom niet relevant hoeven vinden. Het beroep van eiser op het arrest Adrar verandert het oordeel niet. Verweerder heeft bij de beoordeling van de huidige asielaanvraag het beginsel van non-refoulement al betrokken en verweerder hoeft dit dus niet nogmaals te doen. Gelet daarop mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Kan het opgelegde inreisverbod stand houden?

11. Met betrekking tot het uitgevaardigde inreisverbod mocht verweerder vinden dat niet is gebleken dat het inreisverbod onevenredig is. Eiser heeft in Italië een inreisverbod opgelegd gekregen. Nu eiser niet uit het Schengengebied is vertrokken na het verkrijgen van het inreisverbod is zijn inreisverbod nog geldig. Tevens volgt uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt indien de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Verweerder had dus ook op grond deze aanvraag een inreisverbod opgelegd aan eiser.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw. Zie arrest Adrar van 4 september 2025 (C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647) Verslag nader gehoor, p. 10. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g van de Vw Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 september 2025, C-313/25 PPU (Adrar)