Vreemdelingenrecht

vervolgberoep; kennisgeving; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek…

Rechtbank Den Haag, 24 juli 2025

Zaakgegevens

Op 24 juli 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
24 juli 2025
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.32663
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28060
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vervolgberoep; kennisgeving; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.32663

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

De minister heeft op 18 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 13 mei 2025 (in de zaak NL25.18593) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 6 mei 2025 rechtmatig was.

De minister heeft de rechtbank op 18 juli 2025 door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep, alsmede een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1970.

2. Eiser voert aan dat de minister de kennisgeving tijdig heeft verstuurd. Er is in algemene zin zicht op uitzetting naar Algerije en ook in eisers persoonlijke geval bestaat er nog zicht op uitzetting, omdat de laissez-passer aanvraag nog loopt. De minister handelt volgens eiser voldoende voortvarend. De lp aanvraag is tijdig ingediend bij de Algerijnse autoriteiten, de minister rappelleert regelmatig aan de Algerijnse autoriteiten en voert ook regelmatig vertrekgesprekken met eiser. Te meer vanwege het bovenstaande, alsmede de duur van eisers bewaring, alsook vanwege de mate van eisers medewerking aan zijn terugkeer stelt eiser zich vooralsnog niet op het standpunt dat zijn bewaring in redelijkheid niet langer gerechtvaardigd is te achten.

Zicht op uitzetting en voortvarendheid

3. De rechtbank overweegt als volgt. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez-passer, laatstelijk op 12 juni 2025 en 4 juli 2025. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij geen laissez-passer zullen verstrekken aan eiser. Verder heeft de minister regelmatig een vertrekgesprek gevoerd met eiser, laatstelijk op 3 juni 2025 en 3 juli 2025. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting aanwezig is en dat de minister voldoende voortvarend aan die uitzetting werkt.

Lichter middel/belangenafweging

4. Er is onverkort een risico dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Verder is er geen garantie dat de uitzetting van eiser zal worden gerealiseerd indien aan hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring wordt opgelegd. Eiser heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de minister ertoe hadden moeten brengen om met een lichter middel te volstaan. Er zijn geen feiten of omstandigheden die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen.

Ambtshalve toetsing

5. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van

A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 juli 2025

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.