Vreemdelingenrecht

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Rechtbank Den Haag, 24 december 2025

Zaakgegevens

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
24 december 2025
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.61483
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28071
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.61483

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: L. Hartog).

Procesverloop

De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Bengalese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1992.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 november 2025 (in de zaken NL25.54840 en NL25.5484) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de

rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat er zicht op uitzetting ontbreekt. Uit de overgelegde cijfers van een Woo-besluit van 2 december 2025 zijn alle laissez passer (hierna: lp) aanvragen bij de autoriteiten van Bangladesh en afgegeven lp’s door Bangladesh in te zien. Hieruit blijkt dat er in 2024 en 2025 tien lp aanvragen zijn ingediend voor niet gedocumenteerde vreemdelingen, en tussen de 1 tot 4 aanvragen voor gedocumenteerde vreemdelingen. In 2025 zijn er geen lp’s verstrekt en in 2024 zijn 1 tot 4 lp’s verstrekt voor gedocumenteerde vreemdelingen en niet gedocumenteerde vreemdelingen. Vanwege de genoemde doorlooptijden van lp aanvragen vermoedt eiser dat er in beide jaren slechts één lp is afgegeven. De doorlooptijden verschillen enorm. Daarnaast voert eiser aan het voor de hand liggend is dat de lp is verstrekt aan een gedocumenteerde vreemdeling, en dat is eiser niet. Gelet op bovenstaande cijfers is er geen sprake van een reëel zicht op uitzetting. De voor eiser ingediende lp aanvraag van 19 november 2025 roept vragen op. Bij het eerste beroep is door de minister kenbaar gemaakt dat de lp aanvraag niet werd ingediend, omdat een eerdere lp aanvraag met dezelfde gegevens die nu voorhanden zijn op 15 juli 2024 was afgewezen. Er zou nieuwe informatie nodig zijn om een nieuwe lp aanvraag in te dienen. Dit heeft de minister zelf gezegd tijdens de zitting van 17 november 2025. Blijkens het vertrekgesprek van 11 december 2025 en de M120 zou de lp aanvraag toch zijn ingediend, maar er wordt niet toegelicht waarom dat toch is gedaan. Eiser voert aan dat hij niet snapt waarom er toch een lp aanvraag is ingediend. Van de ingediende lp aanvraag valt niets te verwachten nu vrij recent een negatief resultaat is gekomen op een eerdere aanvraag, temeer nu de cijfers laten zien dat Bangladesh in zijn algemeenheid al niet of nauwelijks lp’s afgeeft. Eiser is al lang in Europa en heeft geen contactgegevens meer van mensen in Bangladesh. Hierdoor kan eiser dus zelf niemand benaderen. Het zelf benaderen van de autoriteiten heeft zonder documenten ook geen zin.

5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over het zicht op uitzetting allereerst naar haar eerdere uitspraak van 21 november 2025 (NL25.54840 en NL25.54841), rechtsoverweging 10. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Het onderzoek bij de Bengalese autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat deze autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Bengalese autoriteiten. De minister kan daarop maar beperkt invloed uitoefenen. Eiser heeft de stellingname ter zitting gebaseerd op een passage uit het systeem van 15 juli 2024. De passage van 15 juli 2024 doelde op de informatie uit 2017 van de Bengalese ambassade en dus niet op een recentelijk negatief antwoord. Het negatieve antwoord op de lp aanvraag dateert uit 2017. Zoals de minister ook stelt in zijn verweerschrift wordt er inmiddels gewerkt met digitale terug- en overname (hierna: T&O) verzoeken. Bij de oude lp aanvraag werd er geen verder onderzoek gedaan door de Bengalese autoriteiten, maar met het digitale verzoek, welke direct aan de Bengalese autoriteiten zelf wordt verzonden, kan dit wel. De minister stelt terecht dat de regievoerder de professionele inschatting gemaakt heeft dat een T&O verzoek wel van toegevoegde waarde is in deze situatie. Dit is aan de inschatting van de regievoerder die de passende uitzettingshandelingen bepaalt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze uitzettingshandeling te twijfelen en is van oordeel dat de minister daarom een nieuwe lp aanvraag kon indienen bij de Bengalese autoriteiten met betrekking tot de uitzetting van

eiser. De laatste, oude lp procedure is bovendien van erg lang geleden, namelijk uit 2017. Gelet op voorgaande stelt de minister terecht in zijn verweerschrift dat er wel degelijk zicht op uitzetting is op basis van dit T&O verzoek. Specifieke(re) cijfers hieromtrent zijn niet noodzakelijk. Het feit dat er door de Bengalese autoriteiten vervangende reisdocumenten zijn afgegeven de afgelopen jaren is het belangrijkste. Hieruit blijkt dat er zicht op uitzetting bestaat. Dat dit proces gemiddeld enige tijd kost en dat er dit jaar nog geen vervangende reisdocumenten zijn afgegeven, doet niet af aan het feit dat er geen reële kans is dat er in het geval van eiser geen vervangend reisdocument kan worden afgegeven. Het totale aantal lp aanvragen is bovendien erg laag en de lp procedure loopt nog erg kort, waarbij laatstelijk op 27 november 2025 en 17 december 2025 een rappel is gestuurd naar de Bengalese autoriteiten. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. Uit het dossier blijkt ook dat de minister nog op 11 december 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. De beroepsgronden slagen daarom niet.

6. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 december 2025

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.