Vreemdelingenrecht
Bewaring, vervolgberoep, voortvarendheid, beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 27 februari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:2934 · Rechtbank Den Haag · 27 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-2934
Zaakgegevens
Op 27 februari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 27 februari 2025
- Datum publicatie
- 27 februari 2025
- Zaaknummer
- NL25.7883
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2934
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring, vervolgberoep, voortvarendheid, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7883
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 7 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 19 februari 2025 van verweerder een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 18 december 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 18 december 2024.
4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Marokko. Eiser heeft namelijk al tijdens het vertrekgesprek van 8 januari 2025 verklaard dat hij wil terugkeren naar Marokko. Eiser begrijpt daarom niet waarom hij (nog) niet is gepresenteerd aan de Marokkaanse autoriteiten. Het enkel versturen van rappels naar aanleiding van de voor eiser ingediende aanvraag om een laissez-passer (lp) voor eiser is onvoldoende.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Marokko. Zo blijkt uit het voortgangsrapport dat op 24 december 2024, 16 januari en 6 februari 2025 een rappel is gestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten in verband met de aanvraag voor een laissez-passer voor eiser. Ook zijn er op 8 januari en 10 februari 2025 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Door regelmatig een vertrekgesprek met eiser in te plannen en te rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de te toetsen periode voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt. Verweerder is verder afhankelijk van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiser ook zelf in contact kan treden met de Marokkaanse autoriteiten om zijn terugkeer te bespoedigen.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.