Vreemdelingenrecht
Dublin Zwitserland, buiten zitting, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dvo, medische…
Rechtbank Den Haag, 27 februari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:3048 · Rechtbank Den Haag · 27 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-3048
Zaakgegevens
Op 27 februari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 27 februari 2025
- Datum publicatie
- 28 februari 2025
- Zaaknummer
- NL25.7363
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3048
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin Zwitserland, buiten zitting, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dvo, medische problematiek, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7363
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 16 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1972. Eiser heeft op 30 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 21 juni 2022 in Zwitserland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 8 januari 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Zwitserse autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 13 januari 2025 door Zwitserland aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit, en stelt daartoe als volgt. Met overdracht naar Zwitserland loopt hij een reëel risico op (indirect) refoulement en daarmee op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest omdat er sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zo waren er tijdens zijn asielaanvraag in Zwitserland problemen met de tolk waardoor eiser zijn verhaal en medische problematiek niet goed heeft kunnen overbrengen. Voorts vreest eiser dat hij door Zwitserland zal worden uitgezet naar Turkije omdat zijn asielaanvraag is afgewezen. In Zwitserland wordt eiser niet erkend als vluchteling, het beschermingsbeleid ten aanzien van HDP-leden en PKK-aanhangers is anders dan in Nederland. Hierbij verwijst eiser naar de WBV 2024/12, waaruit volgt dat HDP-leden en PKK-aanhangers als risicogroep worden aangemerkt in Nederland. Eiser heeft in dit verband een document overgelegd uit het dossier van een vriend waaruit blijkt dat hij wordt gezocht wegens het deelnemen aan een demonstratie voor de PKK. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Er is in Zwitserland sprake van discriminatie en racisme jegens vluchtelingen van niet-Oekraïense afkomst. Verweerder heeft eisers bijzondere omstandigheden onvoldoende gemotiveerd en betrokken in de besluitvorming. Het risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Turkije en de afgewezen asielaanvraag van eiser in Zwitserland had verweerder moeten betrekken, nu dit omstandigheden zijn die invloed hebben op de gemoedstoestand van eiser. In beroep heeft eiser zijn patiëntendossier gedateerd van 19 februari 2025 overgelegd om deze psychische problematiek te onderbouwen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag omdat eiser eerder een asielaanvraag in Zwitserland heeft ingediend. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt voorts aangenomen dat Zwitserland daarbij de Europese asielrichtlijnen en zijn verdragsrechtelijke verplichtingen respecteert. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval verweerder daar niet van uit mag gaan. Eiser is hier niet in geslaagd, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van systeemfouten in de Zwitserse asielprocedure en/of opvangvoorzieningen als bedoeld in de zaak Jawo. Daarnaast hebben de Zwitserse autoriteiten met het aanvaarden van het terugnameverzoek gegarandeerd dat eiser in staat wordt gesteld een (nieuwe) asielaanvraag in Zwitserland in te dienen en dat deze asielaanvraag vervolgens in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In dit verband heeft eiser, als reeds overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van systeemfouten in de Zwitserse asielprocedure, wat een verder onderzoek naar het gestelde risico op (indirect) refoulement na overdracht niet nodig maakt. Bovendien kan eiser hier geen beroep meer op doen nu is aangenomen dat uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit maakt tevens dat de beroepsgrond over het gestelde verschil in beschermingsbeleid niet slaagt. Dit volgt onder andere uit de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. In het geval eiser eventueel problemen zou ervaren na zijn overdracht aan Zwitserland dient hij daarover te klagen bij de competente (hogere) Zwitserse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
6. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over het gestelde risico op (indirect) refoulement en een afwijkend beschermingsbeleid is reeds beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en is er geen plaats meer voor om dit nogmaals te doen in het kader van een beroep op artikel 17.
7. Ten aanzien van de opgevoerde psychische problematiek en het overgelegde patiëntendossier blijkt niet dat er bij overdracht sprake is van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand als bedoeld in het arrest C.K. In het bestreden besluit stelt verweerder dan ook terecht dat de medische voorzieningen in beginsel vergelijkbaar mogen worden verondersteld tussen de lidstaten, hetgeen door eiser overigens niet wordt betwist. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser.
8. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van eisers asielverzoek onverplicht aan zich te trekken.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.