Vreemdelingenrecht

Aanvullend terugkeerbesluit – inreisverbod – beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 4 maart 2025

Zaakgegevens

Op 4 maart 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
4 maart 2025
Datum publicatie
6 maart 2025
Zaaknummer
NL24.37981
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:3324
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanvullend terugkeerbesluit – inreisverbod – beroep ongegrond.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 4 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RBDHA:2025:3324

  2. Raad van State · 22 september 2025

    ECLI:NL:RVS:2025:4440

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.37981


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een aanvullend terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Ivoriaanse nationaliteit te hebben.

2. Eiser stelt in beroep dat hij rechtmatig verblijf heeft vanwege een ingediende asielaanvraag. Daarom kan tegen hem geen terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. Ook is zijn eerdere verblijfsvergunning ingetrokken omdat zijn identiteit en nationaliteit niet langer aannemelijk waren. Daarom kan er ook geen sprake zijn van een terugkeer naar Ivoorkust. Ter zitting is namens eiser nog gewezen op het arrest Ararat. Verder heeft eiser twee kinderen, wat maakt dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hij heeft in dat kader meerdere foto’s overgelegd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3. Ter zitting is tussen partijen vastgesteld dat er ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit geen sprake was van een lopende asielaanvraag. Eiser had op dat moment dan ook geen rechtmatig verblijf, wat maakt dat verweerder in beginsel een terugkeerbesluit tegen eiser heeft kunnen uitvaardigen. Weliswaar heeft eiser inmiddels wel een opvolgende asielaanvraag ingediend en daarmee rechtmatig verblijf in Nederland verkregen, maar dit staat niet in de weg aan het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit.

4. Bij een meeromvattende beschikking van 31 oktober 2018 is eiser aangezegd om Nederland en de Europese Unie binnen vier weken te verlaten. In dat besluit is niet opgenomen op welk land de terugkeerverplichting ziet. Verweerder is echter verplicht in het terugkeerbesluit een land van terugkeer te noemen. Daarom is eiser bij het bestreden besluit aangezegd om terug te keren naar Ivoorkust. Dat eisers verblijfsvergunning is ingetrokken omdat zijn identiteit en Ivoriaanse nationaliteit niet langer aannemelijk zijn, maakt niet dat het aanvullend terugkeerbesluit onrechtmatig is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2022 volgt dat het vaststellen van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet vereist is voor de verplichting om in het terugkeerbesluit een land van terugkeer op te nemen. Uit het dossier volgen voldoende aanknopingspunten om Ivoorkust aan te nemen als land waar eiser naar dient terug te keren.

5. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat door eiser geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd. Niet is gebleken dat deze constatering onjuist is. De rechtbank heeft op basis van het dossier en wat tijdens de zitting is besproken ambtshalve bezien of uit de uitvoering van het terugkeerbesluit een schending van het beginsel van non-refoulement voortvloeit. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in dit geval niet gebleken.

6. Het voorgaande brengt met zich dat een terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd en dat, nu eiser Nederland niet uit eigen beweging binnen de vertrektermijn heeft verlaten, op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw terecht een inreisverbod is uitgevaardigd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden verweerder geen aanleiding hebben gegeven om van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. De enkele stelling van eiser dat hij kinderen in Nederland heeft, en dus familieleven moet onderhouden in Nederland, is onvoldoende om van de uitvaardiging van een inreisverbod af te zien.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 maart 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:2506. Zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892. Vergelijk artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.