Vreemdelingenrecht

bewaring, beroep, zicht op uitzetting, ongegrond

Rechtbank Den Haag, 3 maart 2025

Zaakgegevens

Op 3 maart 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 maart 2025
Datum publicatie
11 maart 2025
Zaaknummer
NL25.6697
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:3690
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring, beroep, zicht op uitzetting, ongegrond

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 3 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RBDHA:2025:3690

  2. Raad van State · 31 maart 2025

    ECLI:NL:RVS:2025:1382

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.6697


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ontbreekt het zicht op uitzetting?

1. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat in 2023 al een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (lp) is ingediend bij de Indiase autoriteiten en dat eiser op 6 juli 2023 aan hen is gepresenteerd. Deze aanvraag is sindsdien niet gestopt, maar heeft niet geleid tot de afgifte van een lp. Op 12 oktober 2023 is de bewaring opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens eiser valt niet in te zien waarom dat zicht er nu dan wel zou zijn.

1.1.

Naar het oordeel van de rechtbank staat het eerdere opheffen van een maatregel wegens het ontbreken van zicht op uitzetting niet in de weg aan het opnieuw opleggen van een maatregel. De eerdere maatregel, presentatie en opheffing dateren van ruimschoots meer dan een jaar geleden, en zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India ontbreekt in beginsel niet. Het enkele feit dat de minister eerder een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Indiase autoriteiten en daar geen reactie op is gekomen, maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat de Indiase autoriteiten de (eerdere of huidige) lp-aanvraag hebben afgewezen of dat zij de aanvragen niet (langer) in behandeling hebben. Daar komt bij dat eiser op 5 maart 2025 opnieuw zal worden gepresenteerd, wat ook tot voortuitgang kan leiden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser, zoals de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht stelt, geen activiteiten onderneemt om aan identiteitsdocumenten te komen en zo zijn terugkeer naar India te bespoedigen. Van eiser mag dit wel worden verwacht. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Rb. Den Haag (zp Arnhem) 16 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:510. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.