Vreemdelingenrecht
Bewaring, eerste beroep, Maatregel was al opgeheven, zware gronden 3c en 3d, lichter middel, ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 7 maart 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:3700 · Rechtbank Den Haag · 7 maart 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-3700
Zaakgegevens
Op 7 maart 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 7 maart 2025
- Datum publicatie
- 11 maart 2025
- Zaaknummer
- NL25.7945
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3700
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring, eerste beroep, Maatregel was al opgeheven, zware gronden 3c en 3d, lichter middel, ongegrond.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7945
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: S. Kowsari).
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 21 februari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat er een nieuwe maatregel van bewaring is opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig was.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Gronden van de maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de zware gronden onder 3c en 3d betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3c feitelijk juist is en voldoende is gemotiveerd. Dat eiser niet op de hoogte was van de afwijzende beschikking van 31 juli 2024 komt voor eigen rekening van eiser. Eiser was op dat moment met onbekende bestemming vertrokken, waardoor deze beschikking niet aan hem in persoon kon worden uitgereikt. Ook de zware grond onder 3d is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser heeft bij het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling verklaard dat hij zijn paspoort in Algerije heeft achtergelaten en hij heeft ook geen actie ondernomen om dit alsnog te verkrijgen. Het door eiser overgelegde document waaruit blijkt dat hij was ingeschreven in Barcelona, Spanje, is geen officieel identiteitsdocument en daarmee kan dus ook niet de identiteit en nationaliteit van eiser worden vastgesteld.
5. De zware gronden onder 3c en 3d zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgronden slagen niet.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Daartoe voert eiser aan dat hij naar Spanje wil waar zijn vrouw en kind wonen. Dit heeft eiser onderbouwd met een Spaanstalig document, waaruit blijkt dat hij op een Spaans adres ingeschreven stond met de vrouw, met wie eiser stelt religieus te zijn getrouwd.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel blijkt dat er een risico op onttrekking is. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken. De stelling van eiser dat hij naar Spanje wil, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiser heeft geen verblijfsrecht in Spanje. De minister heeft in de verklaringen van eiser over zijn gestelde vrouw en kind geen reden hoeven te zien om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 maart 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.