Vreemdelingenrecht
Eerste beroep tegen al opgeheven bewaring, art. 59a Vw. Eiser is niet ter zitting verschenen en heeft geen…
Rechtbank Den Haag, 10 april 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:6016 · Rechtbank Den Haag · 10 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-6016
Zaakgegevens
Op 10 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 10 april 2025
- Datum publicatie
- 10 april 2025
- Zaaknummer
- NL25.13576
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6016
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eerste beroep tegen al opgeheven bewaring, art. 59a Vw. Eiser is niet ter zitting verschenen en heeft geen beroepsgronden ingediend. Nu er geen sprake meer is van vrijheidsontneming, is de rechtbank van oordeel dat zij de bewaring niet ambtshalve dient te toetsen. De rechtbank ziet daarvoor in de Vreemdelingenwet of het arrest C, B en X geen grondslag of aanknopingspunten. Beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13576
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Inleiding
1. De minister heeft op 12 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 26 maart 2025 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser die dag is overgedragen aan Spanje.
De gemachtigde heeft de rechtbank schriftelijk laten weten het beroep niet in te trekken, niet ter zitting aanwezig te zijn en verzocht om ambtshalve toetsing.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of op grond van artikel 106 van de Vw aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.
In dit verband moet aan de hand van de beroepsgronden van eiser de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd. Eiser heeft alleen verzocht om ambtshalve toetsing. De rechtbank heeft eisers gemachtigde schriftelijk meegedeeld de zaak op zitting te behandelen en daarbij aangegeven dat tot dat moment gronden kunnen worden ingediend. Eiser heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
4. De rechtbank is van oordeel dat in een zaak als deze, waarbij de bewaring is opgeheven en van vrijheidsontneming geen sprake meer is, de rechtbank niet ambtshalve dient te toetsen. De rechtbank ziet daarvoor in de Vreemdelingenwet of het arrest C, B en X van het Hof van Justitie van 8 november 2022 geen grondslag of aanknopingspunten.
5. Nu eiser geen gronden heeft aangevoerd waarom volgens hem de bewaring onrechtmatig is geweest en aan hem schadevergoeding moet worden toegekend, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.