Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep bewaring – voortvarend handelen – beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 6 mei 2025

Zaakgegevens

Op 6 mei 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
6 mei 2025
Datum publicatie
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.19990
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:7722
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring – voortvarend handelen – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.19990


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 6 mei 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 19 maart 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de

maatregel van bewaring sinds 19 maart 2025.

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Verweerder heeft nog niet beslist op het bezwaar van eiser tegen de intrekking van zijn reguliere verblijfsvergunning, ondanks dat de beslistermijn al ruimschoots is overschreden. De bezwaarprocedure raakt de maatregel van bewaring, nu eiser bij een gegrond bezwaar rechtmatig verblijf zal hebben. Dat verweerder eiser onnodig lang in onzekerheid laat over zijn verblijfsrecht in Nederland dient daarnaast te worden meegewogen in de belangenafweging. Het belang van eiser bij invrijheidsstelling dient te prevaleren boven het belang van verweerder.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De bewaring is gelast op grondslag van het ontbreken van rechtmatig verblijf en de aanwezigheid van een onttrekkingsrisico. Verweerder moet gelet hierop voldoende voortvarend werken aan de uitzetting van eiser. Niet is gebleken dat het daaraan schort. Verweerder is nog in afwachting van de afgifte van een laissez-passer aan eiser en rappelleert daarover regelmatig bij de Marokkaanse autoriteiten. Ook vinden er geregeld vertrekgesprekken plaats. De vraag of de parallelle verblijfsrechtelijke procedure voldoende voortvarend wordt afgehandeld door verweerder is niet aan de bewaringsrechter.

6. Er is in zoverre ook geen aanleiding voor de door eiser bepleite belangenafweging. Niet is gebleken van overige feiten of omstandigheden die aanleiding zouden moeten zijn om de bewaring op te heffen.

7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het

voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vreemdelingenwet 2000. Uitspraken van 20 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:614) en 21 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:4661).