Vreemdelingenrecht
PV Mondelinge uitspraak. Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring. Beroep ongegrond. Maatregel…
Rechtbank Den Haag, 2 mei 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:8013 · Rechtbank Den Haag · 2 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-8013
Zaakgegevens
Op 2 mei 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 2 mei 2025
- Datum publicatie
- 8 mei 2025
- Zaaknummer
- NL25.18577
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8013
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
PV Mondelinge uitspraak. Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring. Beroep ongegrond. Maatregel opgeheven op 22 april. Zicht op uitzetting ontbrak niet. Minister heeft voldoende voortvarend gewerkt. Geen aanleiding voor een lichter middel.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18577
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen
[naam], eiser,
van Algerijnse nationaliteit,
geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
De minister heeft op 4 november 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft op 22 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 2 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct daarna mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, gaat het hier om de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend omdat het voortduren van de bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
4. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 25 maart 2025 (in de zaak NL25.12001). Voor dit beroep is daarom van belang wat er tussen 21 maart en 22 april 2025 is gebeurd.
5. Eiser stelt dat er voor de opheffing al geen zicht op uitzetting meer was en dat er onvoldoende voortvarend aan de uitzetting is gewerkt.
6. De rechtbank is van oordeel dat tot het moment van opheffing zicht op uitzetting niet ontbrak. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Het feit dat de bewaring is opgeheven vanwege een belangenafweging maakt niet dat zicht op uitzetting ontbrak.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage volgt dat sinds het sluiten van het vorige onderzoek er twee keer schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, te weten op 10 april 2025 en 17 april 2025. Ook is er op 22 april 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
De rechtbank overweegt tot slot dat zij in haar eerdere uitspraak van 15 november 2024 heeft geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. In de door eiser aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat een lichter middel nu wel had kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd was.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het opheffen van de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de bewaring tussen 21 maart en 22 april 2025 mocht voortduren. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2025 door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie openbaar gemaakt op rechtspraak.nl op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.