Vreemdelingenrecht

Vreemdelingenbewaring; vervolgberoep; Pakistan; zicht op uitzetting; recht op financiële ondersteuning…

Rechtbank Den Haag, 27 mei 2026

Zaakgegevens

Op 27 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
27 mei 2026
Datum publicatie
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27178
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16103
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring; vervolgberoep; Pakistan; zicht op uitzetting; recht op financiële ondersteuning; vluchtaanvraag met escort; onvoorziene technische problemen; afhankelijk van autoriteiten en de Koninklijke Marechaussee; niet onredelijk laat; uitzettingshandelingen

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.27178

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Akkas),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

De minister heeft op 27 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Vervolgens heeft de minister hierop gereageerd met aanvullende stukken. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 april 2026 (in de zaak NL26.17374) volgt dat de maatregel

van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting omdat op 28 april 2026 bekend was dat eiser kan worden uitgezet naar Pakistan. De minister heeft een vlucht geboekt voor 9 mei 2026 (de rechtbank leest 19 mei 2026). Dat is drie weken later, terwijl er dagelijks meerdere vluchten gaan van Amsterdam naar Pakistan. De minister heeft niet gemotiveerd waarom het zo lang heeft geduurd alvorens er een vlucht is geboekt, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Het voortvarendheidsvereiste

6. De minister voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser, namelijk op 28 april 2026 en 12 mei 2026. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 28 april 2026 blijkt dat de minister eiser heeft aangeboden om zich in te schrijven voor het European Union Reintegration Programme waarbij hij recht heeft op financiële ondersteuning maar dat eiser te kennen heeft gegeven niet mee te zullen werken aan zijn terugkeer naar Pakistan. Uit het voortgangsrapport volgt dat de Pakistaanse autoriteiten eisers nationaliteit op 28 april 2026 hebben bevestigd, waarna de minister op dezelfde dag een vluchtaanvraag heeft doorgezonden naar de Koninklijke Marechaussee. De Pakistaanse autoriteiten gaven bij de minister aan dat de afgifte van een laissez passer door onvoorziene technische problemen wat langer tijd nam dan gebruikelijk en verzochten daar in de planning rekening mee te houden. Op 6 mei 2026 heeft de minister eiser ervan in kennis gesteld dat hij op 19 mei 2026 zal worden uitgezet naar Pakistan. De rechtbank overweegt dat de minister in deze afhankelijk is van zowel de werkwijze en medewerking van de Pakistaanse autoriteiten als van de Koninklijke Marechaussee. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de geplande vluchtdatum van 19 mei 2026 niet onredelijk laat is, mede gelet op de omstandigheid dat de vlucht moest worden geboekt met een escort voor eiser omdat hij weigerde mee te werken aan zijn uitzetting.. Gelet op voornoemde uitzettingshandelingen is de rechtbank van oordeel dat de minister eisers uitzetting voldoende voortvarend ter hand heeft genomen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toets

7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing van de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek ook niet op andere gronden onrechtmatig is.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

27 mei 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.