Vreemdelingenrecht
Bewaring, vervolgberoep, voortgangsrapport, voortvarendheid, beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 15 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:16162 · Rechtbank Den Haag · 15 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-16162
Zaakgegevens
Op 15 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 15 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juni 2026
- Zaaknummer
- NL26.30627
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:16162
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring, vervolgberoep, voortgangsrapport, voortvarendheid, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30627
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 2 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 9 juni 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1996 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 februari 2026. Nadien is een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel van bewaring. Uit de uitspaak hierop van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 16 april 2026.
4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder heeft verzuimd inlichtingen te verstrekken over de voortgang van de bewaring. Het voortgangsrapport dat verweerder 3 juni 2026 heeft toegevoegd dateert namelijk van 8 april 2026. Eiser verzoekt daarom om opheffing van de bewaring.
5. De rechtbank heeft, net als eiser, geconstateerd dat verweerder op 3 juni 2026 niet een actueel voortgangsrapport heeft overgelegd. De rechtbank gaat ervan uit dat sprake is van een vergissing van de zijde van verweerder. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder op 8 juni 2026 een recent voortgangsrapport van 2 juni 2026 met betrekking tot de uitzetting van eiser ingezonden. Uit dit voortgangsrapport volgt dat verweerder in de te toetsen periode voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting naar Algerije door een vertrekgesprek met eiser te voeren en door te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten naar aanleiding van de voor eiser ingediende aanvraag om een laissez-passer.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.