Vreemdelingenrecht

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat de minister…

Rechtbank Den Haag, 1 juni 2026

Zaakgegevens

Op 1 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
1 juni 2026
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.26001
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17672
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat de minister verzoeker aldus dient te behandelen als ware hij valt onder de reikwijdte van de RTB en daarmee aanspraak blijft houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen, totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.26001

V-nummer: [v-nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 2007, van Oekraïense nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. R. Helmus).

Procesverloop

Op 22 april 2026 heeft verzoeker een brief ontvangen van de Gemeente Utrecht dat hij, nu hij niet wordt aangemerkt als ontheemde zoals bedoeld in de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne, geen recht meer heeft op opvang en de daaraan verbonden verstrekkingen zoals het ontvangen van leefgeld.

Op 7 mei 2026 heeft de Gemeente Utrecht aan de gemachtigde van verzoeker laten weten dat de opvang en daaraan verbonden verstrekkingen worden beëindigd per 15 mei 2026. Diezelfde dag heeft verzoeker onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat verzoeker hangende het bezwaar tegen het besluit van 13 april 2026 beschouwd wordt als tijdelijk beschermde en daardoor aanspraak blijft houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen.

De minister heeft op 11 mei 2026 op het verzoekschrift gereageerd.

Op 13 mei 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats een ordemaatregel getroffen dat verzoeker wordt behandeld als ware hij valt onder de reikwijdte van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en daarmee aanspraak blijft houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door een waarnemer van zijn gemachtigde, mr. L. Haenen. Als tolk was ter zitting aanwezig F. Batalova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat de minister verzoeker aldus dient te behandelen als ware hij valt onder de reikwijdte van de RTB en daarmee aanspraak blijft houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen, totdat op het bezwaar is beslist;

  • bepaalt dat deze voorziening geldt tot uiterlijk twee weken na de beslissing op bezwaar;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Overwegingen

1. Verzoeker wordt vrijgesteld van de verplichting griffierecht te betalen.

2. Gebleken is dat op 7 mei 2026 de Gemeente Utrecht aan de gemachtigde van verzoeker heeft laten weten dat de opvang van verzoeker en daaraan verbonden verstrekkingen worden beëindigd per 15 mei 2026. Daarmee heeft verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek.

3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt in deze zaak het belang van verzoeker om gedurende de behandeling van zijn bezwaar opvang en de daaraan verbonden verstrekkingen te behouden, zwaarder dan het belang van de minister om deze voorzieningen reeds daarvoor te beëindigen. Voorkomen moet worden dat verzoeker op straat terechtkomt. Dit risico wordt versterkt doordat, zelfs indien verzoeker zijn asielverzoek zou formaliseren, de kans reëel is dat hij geen opvangplaats zal krijgen en buiten moet slapen. Gelet op signalen van het COA over overvolle opvanglocaties blijkt immers dat personen, waaronder alleenstaande jonge mannen zoals verzoeker, noodgedwongen buiten bij het aanmeldcentrum dreigen te moeten overnachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen. De minister wordt verboden om de opvang en de daaraan verbonden verstrekkingen te beëindigen tot uiterlijk twee weken na de beslissing op het bezwaar.

4. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

5. De voorzieningenrechter heeft partijen mondeling meegedeeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026 door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.