Vreemdelingenrecht

Grensdetentie, artikel 6, derde lid, van de Vw, motivering lichter middel, maatregel opgeheven, beroep…

Rechtbank Den Haag, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37676
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19661
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Grensdetentie, artikel 6, derde lid, van de Vw, motivering lichter middel, maatregel opgeheven, beroep gegrond, schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.37676


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de maatregel op 8 juli 2026 opgeheven.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiseres stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1991.

  2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

3. Bij de beantwoording van de vraag of de verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij niet alle omstandigheden heeft betrokken voordat de vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd.

4. Verweerder heeft over het lichtere middel in de maatregel het volgende overwogen:

‘‘Op de vraag of er feiten of omstandigheden zijn die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is, zijn er door deze vreemdeling geen feiten of omstandigheden aangevoerd.’’

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er met deze overweging onvoldoende blijk van heeft gegeven dat de mogelijkheid tot het opleggen van een lichter middel zorgvuldig is onderzocht. In het gehoor voorafgaand het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel heeft eiseres verklaard dat haar echtgenoot al vier jaar in de asielprocedure in Nederland zit en zij zich graag bij hem zou willen voegen. Op de vraag of eiseres in Nederland of in de Europese Unie familieleden heeft die hier rechtmatig verblijven dan wel op dit moment een asielaanvraag hebben lopen, antwoordt zij echter ontkennend. Ondanks de tegenstrijdigheid in de verklaringen van eiseres heeft verweerder door het gebruik van de term ‘geen feiten of omstandigheden aangevoerd’ niet laten zien dat hij een lichter middel heeft onderzocht of overwogen. Dit klemt temeer nu eiseres zelf heeft aangedragen dat zij een echtgenoot in Nederland heeft.

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en dat hij het besluit daarmee onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd.

7. Het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel is gegrond vanwege voornoemd motiveringsgebrek. De vrijheidsontnemende maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig.

8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor twee dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 120,- (verblijf in het detentiecentrum) = € 240,-.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- kent aan eiseres een vergoeding toe van € 240,- (tweehonderdveertig euro) ten laste van de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.