Vreemdelingenrecht
Vervolgberoep – bewaring – voortvarend handelen – zicht op uitzetting - ongegrond
Rechtbank Den Haag, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19762 · Rechtbank Den Haag · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-19762
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.37498
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19762
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgberoep – bewaring – voortvarend handelen – zicht op uitzetting - ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37498
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 14 juli 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 5 juni 2026.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting en dat zicht op uitzetting op korte termijn ontbreekt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser tot op heden aantoonbare concrete inspanning heeft verricht om zijn identificerende documenten te verkrijgen, in het bijzonder de door eiser gestelde geboorteakte. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de Tunesische autoriteiten ondanks een volledige medewerking van eiser niet bereid zijn om binnen afzienbare tijd een lp af te geven.
6. Uit het voortgangsrapport van 7 juli 2026 volgt dat verweerder op 23 juni 2026 voor het laatst een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Verder heeft verweerder regelmatig schriftelijk gerappelleerd aan de Tunesische autoriteiten. Het meest recente schriftelijke rappel dateert van 26 juni 2026. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.