Vreemdelingenrecht

Grensdetentie – artikel 6, derde lid van de Vw 2000 – Screeningsverordening – lichter middel –…

Rechtbank Den Haag, 10 juli 2026

Zaakgegevens

Op 10 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10 juli 2026
Datum publicatie
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36355
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20214
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Grensdetentie – artikel 6, derde lid van de Vw 2000 – Screeningsverordening – lichter middel – kwetsbaarheidsbeoordeling – processen-verbaal – informatieplicht

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.36355


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.A. Besselsen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel (hierna: grensdetentie) opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de grensdetentie in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Corcelle. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank


Toetsingskader

1. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

2. Eiseres is op 29 juni 2026 geland op Schiphol en (strafrechtelijk) in verzekering gesteld in verband met de verdenking van het gebruik van een vals paspoort. Op 30 juni 2026 om 15:30 uur is eiseres in vrijheid gesteld en overgedragen aan de Afdeling Asiel & Artikel 4 van de Koninklijke Marechaussee omdat zij om 14:45 uur te kennen heeft gegeven asiel te willen vragen. Om 19:46 uur is besloten om een besluit omtrent de toegangsweigering uit te stellen. Tegelijkertijd is het bestreden besluit genomen om de maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Vw 2000 op te leggen met het oog op de behandeling van het asielverzoek en artikel 5 van de Screeningsverordening, op grond waarvan betrokkene moet verblijven in het Aanmeldcentrum Schiphol. Om 21:00 uur is eiseres overgebracht naar het Aanmeldcentrum.
Proportionaliteit

3. Eiseres voert aan dat de maatregel van grensdetentie ten onrechte is opgelegd. De mogelijkheid om deze maatregel op te leggen is een bevoegdheid, geen verplichting. In dit geval is de grensdetentie niet noodzakelijk en niet proportioneel. In dit verband wijst eiseres erop dat grensdetentie niet verplicht is in de asielgrensprocedure op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening en ook niet op grond van artikel 54 van de Procedureverordening. Artikel 54 verwijst naar artikel 9 van de (herziene) Opvangrichtlijn, waarin over de beperkingen van de bewegingsvrijheid is bepaald dat deze kunnen worden ingezet indien nodig. In het voorliggende geval is niet individueel gemotiveerd dat sprake is van een onderduikrisico of waarom niet met een lichter middel kan worden volstaan.

3.1.

De minister heeft ter zitting gewezen op het belang van grensbewaking dat noodzaakt tot het opleggen van de grensdetentie in een situatie als deze. Ieder lichter middel zou tot gevolg hebben dat eiseres toegang verkrijgt tot Nederland, terwijl nog de vraag is of de minister die toegang wil verlenen.

3.2.

De rechtbank onderschrijft het uitgangspunt dat de oplegging van de grensdetentie geen verplichting is, maar een bevoegdheid. Dat betekent dat de minister onder omstandigheden ook kan besluiten deze maatregel achterwege te laten. Daarover bestaat ook geen verschil van inzicht, wel over de vraag wanneer de omstandigheden aanleiding moeten geven om de grensdetentie niet toe te passen.

3.3.

De grensdetentie komt vrij standaardmatig in beeld op het moment dat een vreemdeling – die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland – aan de grens om asiel vraagt. In die situatie heeft de minister met het oog op het grensbewakingsbelang de bevoegdheid om de maatregel van grensdetentie op te leggen, maar laat hij toepassing van deze bevoegdheid achterwege als individuele omstandigheden daaraan in de weg staan. Deze constructie kan ogen als automatisme, mede doordat het grensbewakingsbelang als zwaarwegend heeft te gelden, maar naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gewaarborgd dat per individueel geval de afweging gemaakt wordt of de maatregel kan of moet worden opgelegd.

3.4.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat artikel 54 van de Procedureverordening in samenhang met artikel 9 van de (herziene) Opvangrichtlijn zich niet verdraagt met het voorgaande. Artikel 9 van de (herziene) Opvangrichtlijn geeft mogelijkheden voor de lidstaten om, indien nodig, beperkingen aan de bewegingsvrijheid te stellen van asielzoekers. Dit geldt voor alle verzoekers om internationale bescherming. Artikel 54, eerste lid, van de Procedureverordening verwijst naar dit artikel, onverminderd artikel 10 van de (herziene) Opvangrichtlijn. In artikel 10 van de (herziene) Opvangrichtlijn zijn regels gesteld over bewaring van verzoekers. Volgens artikel 10, vierde lid, onder d, van de (herziene) Opvangrichtlijn is de bewaring mogelijk om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Dit is de situatie die zich hier voordoet.

3.4.

Ook in dit concrete geval heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding om de grensdetentie op te leggen. Eiseres voldoet niet aan de toegangsvoorwaarden en heeft om asiel gevraagd. De minister heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel met het oog op het grensbewakingsbelang geen reële mogelijkheid is, omdat dat zou betekenen dat alsnog de toegang wordt verleend terwijl de af te wachten beslissing daarover nu juist reden is voor toepassing van deze maatregel. Uit het verslag van het gehoor leidt de rechtbank niet af dat eiseres dermate kwetsbaar is dat de grensdetentie in het Aanmeldcentrum onevenredig bezwarend is. Bovendien heeft eiseres verklaard eigenlijk van plan te zijn geweest om naar Frankrijk te reizen.

Zorgvuldigheid kwetsbaarheidsbeoordeling

4. Eiseres voert daarnaast aan dat de minister de screening onvoldoende zorgvuldig heeft verricht. Er is op het screeningsformulier enkel vermeld dat eiseres een voorlopige medische screening krijgt, maar dat deze heeft plaatsgevonden blijkt niet. De vragen in het gehoor geven verder geen blijk van een individuele beoordeling van de kwetsbaarheid. Eiseres is weliswaar meerderjarig, maar in gedrag komt zij jonger over. Zij is afhankelijk van familie en verkeert in een kwetsbare positie. Blijkens een e-mail van Vluchtelingenwerk oogt eiseres emotioneel en getraumatiseerd. De minister heeft deze kwetsbaarheid niet goed beoordeeld en niet kenbaar betrokken bij het besluit tot vrijheidsontneming.

4.1.

Artikel 12, derde lid van de Screeningsverordening schrijft een kwetsbaarheidsbeoordeling tijdens de screening voor, te verrichten door gespecialiseerd daartoe opgeleid personeel. Deze beoordeling geschiedt om na te gaan of een onderdaan van een derde land mogelijk staatloos, kwetsbaar of slachtoffer is van foltering of andere onmenselijke of onterende behandeling, dan wel of deze speciale behoeften heeft.

4.2.

De minister heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de screening die op grond van de Screeningsverordening moet plaatsvinden een andere is dan de inventarisatie van individuele omstandigheden om te beoordelen of moet worden afgezien van de grensdetentie. Dat zich in het dossier geen volledige verslaglegging van de screening (vgl. artikel 8, vijfde lid, van de Screeningsverordening) bevindt leidt dan ook niet tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is.

4.3.

Voor zover eiseres zou willen betogen dat als gevolg van een onjuiste of onzorgvuldige screening de grensdetentie niet langer gerechtvaardigd is met het oog op de toepassing van artikel 5 van de Screeningsverordening, leidt dat de rechtbank niet tot de conclusie dat de grensdetentie moet worden opgeheven. Deze maatregel is immers ook bedoeld om een beslissing te kunnen nemen over de toelating tot het grondgebied.

Onjuistheden processen-verbaal

5. Tot slot wijst eiseres erop dat de processen-verbaal van bevindingen bij de asielaanvraag van 30 juni 2026 en het proces-verbaal van gehoor van 30 juni 2026 niet zijn ondertekend. Het proces-verbaal van gehoor vermeldt verder ten onrechte dat eiseres gezegd zou hebben dat zij niet over middelen beschikt. Eiseres wordt namelijk financieel ondersteund door haar ouders. Het dossier vermeldt verder wel dat eiseres is geïnformeerd over de vrijheidsontnemende maatregel, maar de antwoorden die eiseres daarop heeft gegeven wekken de indruk dat eiseres niet heeft begrepen wat er bedoeld werd. De minister had gelet daarop meer moeten doen om uitleg te geven. Dat de informatiefolder M19B in het Frans is uitgereikt maakt dit niet anders.

5.1.

De rechtbank stelt met eiseres vast dat van de genoemde processen-verbaal de elektronische handtekening ontbreekt. Zoals de rechtbank ook ter zitting aan partijen heeft voorgehouden, ziet zij geen reden om te veronderstellen dat de inhoud van de processen-verbaal onjuist is nu daarover geen geschil bestaat. Met betrekking tot het beschikken over middelen van bestaan wijst rechtbank erop dat het proces-verbaal niet in alle opzichten een letterlijke weergave van de verklaringen moet zijn. De minister heeft eiseres wel goed begrepen. In het besluit om de beslissing over de toelating uit te stellen is namelijk gemotiveerd dat eiseres heeft verklaard dat zij financieel wordt ondersteund, maar dat de minister die middelen niet in aanmerking neemt omdat het hem gaat om zelfstandige middelen van bestaan.

5.2.

De rechtbank volgt eisers tot slot niet in haar betoog dat de minister niet aan zijn informatieverplichtingen heeft voldaan. Eiseres heeft wel gezegd “ik weet het niet” in reactie op het voorhouden van de constatering dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating, maar in het vervolg van het gehoor is aan eiseres uitleg gegeven en zij heeft op meerdere momenten in het gehoor aangegeven dat zij begreep wat haar verteld werd.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vrijheidsontneming is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van

K. Postema, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 juli 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.