Vreemdelingenrecht

Verzoek om voorlopige voorziening. Aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning…

Rechtbank Den Haag, 22 juli 2026

Zaakgegevens

Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 juli 2026
Datum publicatie
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23375
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20557
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening. Aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Het verzoek strekt ertoe om verzoeker toe te staan zijn werkzaamheden te continueren gedurende de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister zijn belangen onvoldoende kenbaar heeft gemaakt door zich ongemotiveerd te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.23375


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. J. van Putten),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Inleiding

Bij besluit van 5 december 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

De minister heeft met het besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe om verzoeker toe te staan zijn werkzaamheden te continueren gedurende de beroepsprocedure.

Op 24 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de minister verzocht binnen één week op dit verzoek te reageren. De minister heeft hier op 4 mei 2026 op gereageerd.

De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak

zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. Verzoeker stelt dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Dat verzoeker voor onbepaalde tijd zonder werk komt te zitten, de grote onzekerheid over zijn verblijfsrechtelijke positie en daarmee samenhangende dienstverband, brengen voor hem een grote mate van psychische spanning mee. Hierbij dient voor ogen gehouden te worden dat verzoeker in Nederland geen familie en, gelet op zijn relatief korte verblijf, slechts een beperkt sociaal netwerk heeft, dat grotendeels samenhangt met zijn werkomgeving. Zijn werkzaamheden als kok vormen voor hem dan ook niet alleen een bron van inkomsten, maar deze bieden ook structuur, sociale contacten en hij haalt er bovendien veel plezier uit. Het wegvallen hiervan zal dan ook van een negatieve impact zijn op zijn mentale gesteldheid.

3. De minister heeft bij brief van 4 mei 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich verzet tegen hetgeen is verzocht.

4. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister zijn belangen onvoldoende kenbaar heeft gemaakt door zich ongemotiveerd te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De belangenafweging valt dan ook in het voordeel van verzoeker uit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.

5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. De proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat de vertrekplicht wordt opgeschort en dat verzoeker gedurende de beroepsprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht.