Vreemdelingenrecht
bewaring, vervolgberoep, lichter middel, belangenafweging, ambtshalve toetsing, ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 16 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21048 · Rechtbank Den Haag · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21048
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 27 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.38328
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21048
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bewaring, vervolgberoep, lichter middel, belangenafweging, ambtshalve toetsing, ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38328
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 18 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 15 juli 2026.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al meermalen heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.31073) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 10 juni 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 10 juni 2026 tot 15 juli 2026.
Lichter middel
3. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat gebleken is dat inbewaringstelling te belastend is voor eisers psychische gesteldheid. Eiser heeft ter ondersteuning van dit standpunt medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat er verschillende crisisinterventies zijn geweest en eiser ook suïcidale uitingen heeft gedaan. Verder betoogt eiser dat hij zich beschikbaar kan houden door bij zijn partner of familie in Nederland te verblijven. Volgens eiser is het risico op onttrekking dan wel belemmering niet aannemelijk, vanwege zijn gezinsleven in Nederland.
Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel vanwege de psychische gesteldheid van eiser, verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.31073, onder overweging 6.) In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Nog altijd is niet gebleken dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en psychologische zorg voor eiser niet toereikend zijn. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring gemotiveerd waarom hij het noodzakelijk vindt om eiser in bewaring te stellen en waarom een minder dwingende maatregel niet doeltreffend is toe te passen. Verder heeft eiser tijdens de vertrekgesprekken, op 23 april 2026 en 27 mei 2026, duidelijk gemaakt dat hij niet wenst terug te keren naar Marokko. Eisers standpunt dat hij zich beschikbaar kan houden op het adres van zijn partner of van zijn familie, is onvoldoende voor het oordeel dat maatregel niet langer proportioneel is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet had hoeven volstaan met een minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
4. Eiser betoogt dat verweerder een te weinig concrete en individuele belangenafweging heeft gemaakt. Er zijn nieuwe en gewijzigde omstandigheden die door verweerder niet kenbaar en gemotiveerd zijn betrokken. Naast de verslechterde psychische gesteldheid van eiser wordt ook zijn gezinsleven negatief beïnvloed door de inbewaringstelling. Verder miskent verweerder eisers medische problematiek en krijgt eiser hierdoor onvoldoende zorg voor zijn psychische klachten.
De rechtbank wijst erop dat zij deze beroepsgrond al eerder heeft betrokken en beoordeeld in de uitspraak van 17 juni 2026, onder overweging 8. Hieruit blijkt dat in de beoordeling voldoende rekening is gehouden met eisers psychische toestand. Aanvullend overweegt de rechtbank dat zij in de door eiser overgelegde stukken ook geen aanleiding ziet om de bewaring op te heffen. Uit het dossier blijkt niet dat eiser meer medische zorg nodig heeft dan in het detentiecentrum geboden kan worden. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring gemotiveerd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken en dat eiser de voorbereiding van zijn vertrek of de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel nog altijd zwaarder dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 10 juni 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felic, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.