Vreemdelingenrecht

Aanvraag voor het verlenen van een faciliterend visum; Beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het…

Rechtbank Den Haag, 1 juli 2026

Zaakgegevens

Op 1 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
1 juli 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
NL26.4159
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21109
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanvraag voor het verlenen van een faciliterend visum; Beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen; Beroep gegrond voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit; De hoorplicht is geschonden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4159


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. J.S. Maas),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor het verlenen van een faciliterend visum en het alsnog genomen besluit waarbij deze aanvraag is afgewezen.

1.1.

Eiseres heeft op 9 juli 2025 verzocht om de afgifte van een faciliterend visum. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 augustus 2025 afgewezen. Op
23 januari 2026 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op het bezwaar van 4 september 2025. Met het bestreden besluit van
3 maart 2026 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente) en [naam], bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en diens kantoorgenoot mr. A. Haouli. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1977 en heeft de Senegalese nationaliteit. Eiseres heeft op 9 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Eiseres beoogt verblijf bij haar dochter, referente. Referente is geboren op [geboortedatum 2] 2016 en heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.1.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Zo is niet aangetoond dat eiseres zorg- en opvoedtaken verricht. Daarnaast is niet gebleken dat tussen eiseres en referente een afhankelijkheidsverhouding bestaat.

Wat vindt eiseres in beroep?

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder heeft allereerst de hoorplicht geschonden. Verweerder had niet voorbij mogen gaan aan horen nu er onduidelijkheid bestaat over de afhankelijkheidsrelatie. Ook kan eiseres niet worden tegengeworpen dat zij onvoldoende stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat haar dochter afhankelijk is van haar. De bewijsproblematiek moet namelijk niet los worden gezien van de context waarin eiseres leeft. Zo bestaat in Senegal geen systeem van gemeentelijke basisadministratie. Daar komt bij dat de telefoons waarop foto’s van de afgelopen jaren waren opgeslagen kapotgegaan zijn. Bovendien is de feitelijke situatie evident. Eiseres heeft vanaf de geboorte van haar dochter de volledige opvoeding en dagelijkse zorg op zich genomen. Daarnaast is het van groot belang dat de scheiding van haar moeder wordt beëindigd, aangezien een voortdurende scheiding een ernstig risico vormt voor het emotionele evenwicht en de ontwikkeling van het kind. Dat de situatie ernstige gevolgen heeft voor de dochter wordt bevestigd in een overgelegde brief van haar school. Ook de vader bevestigt in een overgelegde brief dat het slechter met zijn dochter gaat.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen

4. Omdat eiseres eerst een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ingediend, en op dit beroep nog geen uitspraak is gedaan, zal de rechtbank hier eerst op ingaan.

5. Eiseres heeft verweerder met de brief van 6 januari 2026 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Op
3 maart 2026 heeft verweerder alsnog op de aanvraag van eiseres beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiseres bij een beoordeling van het beroep niet tijdig beslissen op haar aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op de aanvraag van eiseres is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.

6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiseres kan zich niet verenigen met het genomen besluit. Verweerder is dan ook niet volledig aan het beroep van eiseres tegemoetgekomen. Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank gaat hierna in op de beroepsgronden van eiseres tegen het bestreden besluit.

Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit

7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

De hoorplicht

8. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts van horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat gebeurt alleen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen wordt genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd en de overwegingen in het primaire besluit. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 geoordeeld dat voornoemd uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Wanneer er onduidelijkheid bestaat over het feitencomplex of niet alle relevante informatie is overgelegd door de vreemdeling, komt bijzonder belang toe aan het uitganspunt dat een vreemdeling wordt gehoord.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres had moeten horen in de bezwaarfase.
Daartoe is allereerst van belang dat er nog onduidelijkheid bestaat over de gestelde afhankelijkheidsverhouding tussen eiseres en referente. Een hoorzitting was bij uitstek geschikt geweest om meer duidelijkheid te kunnen verkrijgen over het samenwonen, de zorg- en opvoedtaken en de afhankelijkheidsrelatie. Tijdens de hoorzitting had ook besproken kunnen worden welk bewijs eventueel wel overgelegd kan worden door eiseres. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiseres erop heeft gewezen dat er in Senegal geen gemeentelijke basisadministratie bestaat en zij derhalve geen schriftelijke bewijsstukken kan overleggen waaruit het feitelijk samenwonen blijkt. Op zitting heeft de vader van referente bovendien aangegeven dat hij eventueel bewijs kan opvragen bij de school van referente in Senegal. Dit bewijs kan verweerder bij de beoordeling van de afhankelijkheid betrekken.

Daar komt bij dat verweerder voor het primaire besluit gebruik heeft gemaakt van het ‘standaardformulier voor kennisgeving van de motivering van het weigeren, nietig verklaren of intrekken van een visum’. Dit is een ‘kruisjesformulier’ met standaardmotiveringen, bedoeld voor aanvragen om afgifte van een visum voor kort verblijf. Eiseres heeft echter geen visum voor kort verblijf aangevraagd, maar een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU. Het door verweerder gebruikte standaardformulier is niet op een dergelijke visumaanvraag van toepassing. Het primaire beluit geeft daarom onvoldoende inzicht in de afwijzingsgronden van de visumaanvraag. Omdat het voor eiseres daarom niet duidelijk was waarom haar aanvraag was afgewezen en wat zij in bezwaar diende te overleggen, had het ook om die reden op de weg van verweerder gelegen om haar te horen.

9. Nu de rechtbank het beroep reeds gegrond acht vanwege schending van de hoorplicht, zal niet worden ingegaan op hetgeen eiseres verder in de beroepsgronden heeft aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. Eiseres krijgt hiervoor wel een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,-.

11. Het beroep, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit, is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen in deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

11. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, veroordeelt de rechtbank

verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. Samen met de in rechtsoverweging 10 toegekende proceskostenvergoeding in het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag komt het totale door verweerder te betalen bedrag aan proceskosten neer op
€ 2.335,-.

13. De rechtbank bepaalt ook dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;

  • verklaart het beroep, voor zover het gericht is tegen het bestreden besluit, gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.

  • draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van €200,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354. Zie de c-grond van B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zie de d-grond van B10/2.2 Vc. Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 4. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.