Vreemdelingenrecht

Beroep tegen afwijzing visum kort verblijf, beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden…

Rechtbank Den Haag, 20 juli 2026

Zaakgegevens

Op 20 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
20 juli 2026
Datum publicatie
29 juli 2026
Zaaknummer
NL25.27857
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21164
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen afwijzing visum kort verblijf, beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd omdat verweerder eiser had moeten horen in bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.27857


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Flach).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf.

1.1.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, Shamal Raza (referent) en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

1.4.

Op 8 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat was gebleken dat zij niet beschikte over alle stukken en verweerder verzocht de ontbrekende stukken aan het dossier toe te voegen.

1.5.

De rechtbank heeft met toestemming van partijen afgezien van een nadere zitting en heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om zijn vader, referent, te bezoeken.

2.1.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Ook heeft eiser volgens verweerder onvoldoende sociale en economische binding met Irak, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat hij tijdig zal terugkeren. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om eiser en/of referent te horen in bezwaar.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst persisteert eiser bij de (aanvullende) gronden van het bezwaarschrift. Ten tweede is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten derde heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Ook heeft verweerder onvoldoende betrokken dat referent een betrouwbare garantsteller is, dat eiser verifieerbare documenten ter onderbouwing van zijn sociale en economische binding heeft overgelegd en dat eiser eerder in het bezit is gesteld van een visum kort verblijf en tijdig is teruggekeerd. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser daaraan toegevoegd dat had moeten worden meegenomen dat er nooit eerder een poging is gedaan om eiser naar Nederland te krijgen, terwijl dat wel had gekund, waaruit blijkt dat hij geen intenties heeft zich hier te vestigen. Ten slotte had verweerder eiser in de gelegenheid moeten stellen om de inhoud van de vragenlijst nader te onderbouwen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Had verweerder eiser moeten horen in bezwaar?

5. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd omdat verweerder eiser had moeten horen in bezwaar. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord en dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is, de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. In dit verband is van belang dat eiser eerder, in 2022, met een visum kort verblijf naar Nederland is gekomen en toen tijdig is teruggekeerd. De rechtbank stelt allereerst vast dat referent in de aanvraag al heeft aangegeven dat eiser eerder op een visum kort verblijf naar Nederland is gekomen, dat hij aan deze aanvraag dezelfde bewijsstukken heeft toegevoegd en dat de omstandigheden in de tussentijd niet zijn veranderd. In bezwaar heeft eiser er

-onderbouwd- op gewezen dat de constatering van verweerder “Situatie is echter gewijzigd. Bezwaarde was in 2022 werkzaam en solvabel en nu niet meer” feitelijk onjuist is en uitdrukkelijk om een hoorzitting gevraagd omdat er volgens hem geen deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde herhaald dat de situatie ten opzichte van de huidige aanvraag niet is veranderd en dat ook tijdens de vorige aanvraag referent garant heeft gestaan. Dit zijn volgens de rechtbank omstandigheden waar verweerder tijdens een hoorzitting naar had kunnen en moeten vragen.

6. Omdat het beroep al gegrond is vanwege de schending van de hoorplicht, zal de rechtbank de overige beroepsgronden niet meer bespreken.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, omdat uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de geldende rechtspraak.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.F. Elzenaar, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14; 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36; en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36. 1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1.