Vreemdelingenrecht
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag, 28 januari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21942 · Rechtbank Den Haag · 28 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21942
Zaakgegevens
Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 28 januari 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.2876
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21942
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2876
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman).
Procesverloop
De minister heeft op 8 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 november 2025 (in de zaak NL25.55073) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de minister onzorgvuldig handelt. De rechtbank heeft op 16 januari 2026 de minister verzocht om de voortgangsrapportage aan te leveren binnen
uiterlijk twee werkdagen. Deze termijn verliep derhalve op 18 januari 2026 (om 23.59 uur). De minister heeft op 20 januari 2026 om 10:51 uur de stukken aangeleverd. Dit is twee dagen na het verloop van de termijn. In het bericht van 16 januari 2026 staat dat de minister verplicht is aan het verzoek te voldoen en dat bij uitblijven van een reactie de rechtbank gevolgtrekkingen maakt die haar geraden voorkomen. Eiser verzoekt de rechtbank primair dit laatste te doen en subsidiair om de minister voor deze onzorgvuldige handelwijze te veroordelen in de proceskosten.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. In de brief van 16 januari 2026 is de minister verzocht binnen uiterlijk twee werkdagen inlichtingen te geven over de voortgang van de voorbereiding van de uitzetting van eiser. Volgens het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken wordt onder werkdagen verstaan: maandag tot en met vrijdag.1 Dit betekent dat de minister door de voortgangsrapportage en verslagen van vertrekgesprekken met eiser op 20 januari 2026 om 10:51 uur aan te leveren, tijdig aan dit verzoek heeft voldaan. Hieruit volgt reeds dat het primaire en het subsidiaire betoog van eiser niet slaagt. Ook overigens is de rechtbank niet van onzorgvuldigheden gebleken. Eiser is na ontvangst van de voortgangsrapportage in de gelegenheid gesteld tot 22 januari 2026 12:00 uur te reageren op de overgelegde stukken. Van deze gelegenheid heeft eiser bij schrijven van 20 januari 2026 om 14:46 uur gebruik gemaakt. Hiermee is eiser voldoende in staat gesteld beroepsgronden aan te voeren. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
[afbeelding niet beschikbaar]1. Artikel 1.1, eerste lid.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van
A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.